AchtergrondEchtparentoneel

Lucratieve business: een kort overzicht van het echtparentoneel in Nederland

Acteurskoppels van nu kunnen leren van het echtparentoneel uit de jaren zeventig en tachtig. Als stel de theaters langs gaan was toen heel gewoon.

Pleuni Touw en Hugo Metsers in de kleedkamer (1983). Beeld Kors Bennekom
Pleuni Touw en Hugo Metsers in de kleedkamer (1983).Beeld Kors Bennekom

Zonder dat ze het wisten, hadden Peter Blok en Tjitske Reidinga een lumineus idee, én vooruitziende blik. Begin februari werd bekend dat ze een eigen theatergroep gaan oprichten: De Vereeniging. De twee acteurs, die behalve collega’s ook elkaars partner zijn, gaan daarin samen toneelspelen. En dat komt de komende tijd goed uit, want acteurs kunnen voorlopig alleen maar intensief, fysiek samenspelen als ze ook in het echte leven een koppel zijn. Dat zou de terugkeer kunnen inluiden van het echtparentoneel.

Dat de naam van hun nieuwe groep ouderwets is gespeld, kan een hint zijn naar de Nederlandse theaterhistorie, want het echtparentoneel is hier zeker niet nieuw. Sterker nog: in de jaren zeventig en tachtig bestond een deel van het aanbod, zeker van de vrije, commerciële producenten, uit toneelstukken die door echtparen werden gespeeld. Om de bekendste maar meteen even te noemen: Kitty Janssen & André van den Heuvel, Ton van Duinhoven & Ina van Faassen, Luc Lutz & Simone Rooskens, Pleuni Touw & Hugo Metsers. Voordat ze een eigen bedrijfje begonnen, werkten de meeste acteurs bij een gesubsidieerd gezelschap. In die tijd waren dat nog acht grote toneelgezelschappen die allemaal eigen acteurs in dienst hadden (nu zijn dat er nog maar drie, die in Amsterdam, Den Haag en Groningen). Daar waren ze onderdeel van een grote machinerie – spelen, repeteren, spelen, grote rollen, kleinere rollen. Op een gegeven moment kozen ze voor de vrijheid. Waarom? En wat speelden ze dan?

Het klinkt helaas wat prozaïsch maar geld was een belangrijke reden, naast het feit dat ze nu hun eigen stukken konden kiezen waarmee ze een heel seizoen op tournee konden. Bij hun gezelschappen verdienden de acteurs weliswaar een keurig maar zeker niet riant cao-salaris. Bovendien moesten ze rollen spelen die door de artistieke leiding voor hen waren uitgekozen. Van inspraak was nagenoeg geen sprake: aan het begin van het seizoen hing er een lijst op het prikbord waarop stond wie in welk stuk welke rol zou spelen. Sommige van die acteurs wisten dat ze populair waren bij een breed publiek, dus ze wisten ook wat ze waard waren. Goed voorbeeld daarvan was Ton van Duinhoven – destijds bekend van het tv-programma Hadimassa (waaraan ook Kees van Kooten en Wim de Bie meewerkten) en vooral ook van de Jamin-reclames. Van Duinhoven was behalve een groot acteur – kenners roemen zijn Pinter-vertolkingen – ook zakelijk ingesteld.

‘Zijn salaris bij Toneelgroep Centrum was natuurlijk peanuts vergeleken bij wat hij samen met zijn vrouw Ina van Faassen met eigen producties verdiende’, zegt Gislebert Thierens, theaterproducent en impresario in ruste. Thierens werkte destijds zowel voor de echtparen Van Duinhoven & Van Faassen als voor Luc Lutz & Simone Rooskens. ‘Van Faassen was ook bekend in die tijd, ze was steractrice bij Ensemble waar ze belangrijke rollen speelde en ook door de shows die ze met Wim Sonneveld had gemaakt. Als je het succes al aan je kont had hangen, was dat echtparentoneel zeer lucratief. Op voorhand werden op zijn minst al 120 voorstellingen aan de schouwburgen verkocht.’

Simone Rooskens en Luc Lutz in ‘De hortensia’ (1982).  Beeld Kors Bennekom
Simone Rooskens en Luc Lutz in ‘De hortensia’ (1982).Beeld Kors Bennekom

Zeer succesvol in die tijd waren ook Pleuni Touw en Hugo Metsers. Touw had al een rijke carrière achter de rug als actrice bij het Nieuw Rotterdams Toneel en Ensemble en was te zien geweest in de tv-serie De stille kracht naar de roman van Couperus, inclusief de beroemde douchescène. Echtgenoot Hugo was ook al bloot te bewonderen, inclusief erectie zelfs, in de film Blue Movie. Toen die twee met het eigen bedrijf Polona Producties op tournee gingen, stonden de theaterprogrammeurs in de rij, soms werden producties al geboekt voordat de titels bekend waren. Het ging om de acteurs, niet zozeer om het repertoire.

Het waren André van den Heuvel en Kitty Janssen die in 1971 als eerste echtpaar een vrije productie uitbrachten. Ze noemden hun bedrijf Katrijn Producties en kozen nota bene voor Edward Albee’s Who’s Afraid of Virginia Woolf? als openingsvoorstelling. Van den Heuvel speelde eerder bij Toneelgroep Centrum zo’n beetje alle grote rollen uit het wereldrepertoire. Katrijn Producties werd een succesvol theaterbedrijf dat tot eind jaren tachtig voorstellingen maakte. Het repertoire wisselde van Beckett, Albee en Ayckbourn tot het betere Engelse blijspel en pikante Franse boulevardkomedies, met titels als De Klusjesman, Zes uur! Niet later en Vrolijk Pasen. Aan die voorstellingen deden ook andere acteurs mee die in die jaren bekend waren, maar het draaide toch om de aantrekkingskracht van het echtpaar. Zij waren wat we nu BN’ers zouden noemen. En toneel was populair, ook om de simpele reden dat er een geringer aanbod was van cabaret, musicals en andere vormen van entertainment.

‘De kranten besteedden veel aandacht aan acteurs: als zo’n toneelechtpaar een kind kreeg, stond dat in de krant. Als je van acteur van het ene gezelschap naar het andere ging, was dat nieuws, vergelijkbaar met de transfer van een voetballer. Toen ik als jongeman in militaire dienst ging, stond dat op de voorpagina van het Algemeen Dagblad.’ Aldus Hans Croiset, destijds artistiek leider van Het Publiekstheater in Amsterdam, die de populariteit van het echtparentoneel prima vond, want dat konden de gesubsidieerde gezelschappen uit het wereldrepertoire putten. ‘Wij konden De Heilige Johanna van de Slachthuizen van Bertolt Brecht spelen, zij het lichtere repertoire.’ Overigens speelde Pleuni Touw bij haar eigen bedrijf ook Hedda Gabler van Ibsen en Open Huwelijk van Dario Fo.

Niettemin hadden de meeste stukken van het echtparentoneel titels als Schijn bedriegt, Te laat geboren en Het kan vreemd gaan. Toch probeerde Gislebert Thierens zijn aanbod kwalitatief zo goed mogelijk te maken. Hij ging regelmatig naar het buitenland om nieuwe stukken te scouten, want dat werd op een gegeven moment hét probleem: waar haal je geschikt nieuw repertoire vandaan?

Thierens: ‘Ik probeerde in Amerika dan een try-out van een nieuw stuk van Neil Simon te zien en in Scarborough de nieuwe Alan Ayckbourn, die daar zijn eigen theater had. Als het dan wat was, regelde ik snel de rechten zodat mijn echtparen in Nederland weer wat te spelen hadden.’

Zo lang het beroep van acteur nog geen contactberoep is en de anderhalvemetermaatschappij voortduurt, ligt hier een uitgelezen kans voor alle toneelechtparen van nu.

Loveletters bij De TheaterAlliantie

Theatermaker Jasper Verheugd heeft bij De Theateralliantie een plan ingediend om het toneelstuk Love Letters van A.R. Gurney uit 1988 opnieuw uit te brengen, gespeeld door verschillende toneelechtparen. Op dit moment is hij op zoek naar een coproducent. Love Letters werd in het verleden gespeeld door Anne Wil Blankers en Paul van Vliet (geen echtpaar) en gaat over twee mensen van in de zestig, die elkaar brieven schrijven sinds hun jeugd, maar elkaar nooit hebben ontmoet. Verheugd: ‘Een ideaal stuk voor nu: snel te produceren en ook net aan rendabel als we het vanaf 1 juli voor honderd man kunnen spelen. Nu er komend najaar zoveel gaten in de programmering vallen, zou dit ideaal zijn.’

Meer over