Lucide instrumentale lijnen met lachjes, leugens en lyriek

Opera Reigen..

Roland de Beer

ZWOLLE Reigen, een magistrale zedenschets in tien toneelscènes van Arthur Schnitzler (1862-1931), heeft in muziektheatrale vorm het repertoire bereikt van Opera Studio Nederland, een springplankgezelschap voor talent uit binnen- en buitenland.

In het Zwolse Theater Odeon, waar een tournee begon die 18 oktober wordt afgesloten in het Amsterdamse Muziekgebouw, betekende dit zaterdag: a) een intiem podium, voorzien van heren die op dames lagen en dames die over heren rolden. Het betekende b) een formidabele oefening voor zangers in het behoud van ademsteun bij onorthodoxe poses. Het bracht c) momenten van sterke ontroering, en gaf toen het was afgelopen, het gevoel dat dit cirkelvormige drama – Reigen is een ‘reidans’ of zwaan-kleef-aan van seksuele verhoudingen – in de uitvoering van Opera Studio Nederland best nog een ronde kon hebben.

Dat laatste lag niet alleen aan de muziek van Philippe Boesmans, van wiens vijftien jaar oude partituur het orkestaandeel in uitgedunde vorm tot klinken kwam, bewerkt door Fabrizio Cassol. Het lag ook in hoge mate aan Harry Kupfer, een 74-jarige regisseur die in Nederland niet alleen een reputatie heeft te verliezen als theatertovenaar en meesteranalyticus in producties van Boris Godoenov, La damnation de Faust en ander groot operawerk, maar die hier ook mythes heeft gecreëerd met kleinschaliger studioproducties als Schuhu und die fliegende Prinzessin.

De scherp geëtste treurnis en (nog treuriger) hilariteit in Schnitzlers seriële spel van naald en draad – de hoer strikt een soldaat, de soldaat pakt een kamermeisje, het kamermeisje bedient een Jonge Meneer enzovoort – beleefde haar operapremière in 1993 in de Brusselse Munt, met een libretto en in een regie van Luc Bondy, specialist in de symboliek van textiel. Zijn trouvaille was een witte doek die scène na scène de hygiëne diende en aan een iedere volgende onwetende werd doorgegeven. Dat had een navranter effect dan de toen nog licht wollige orkestraties van Boesmans.

De ‘kleine’ versie, door Boesmans goedgekeurd en bij Opera Studio met grote subtiliteit gedirigeerd door een andere Nederlandse Opera-veteraan, de voormalige koorchef Winfried Maczewski, bleek in Zwolle eigenlijk de beste versie. Wat ooit Frank Wedekind en zijn toneel-Lulu geweest moeten zijn voor Arthur Schnitzler, is Alban Bergs opera Lulu voor Boesmans: een vertrekpunt. Maar de muzikale zuigkracht die Berg ontwikkelt in zijn groot georkestreerde Lulu, blijkt bij Boesmans juist in de ‘kleine’ Reigen een pendant te vinden.

Lucide instrumentale lijnen vergezellen met grote precisie de lachjes, leugens en lyriek van uitblinkende vocalisten als Tina Dietzsch (‘de hoer’), Daphne Ramakers (‘de zangeres’), Pascal Pittie (‘de dichter’) en Karin Strobos (‘het lieve kind’). Kupfer heeft, vertrouwend op de navrantie van de tekst en de betekenis van de personages zelf, het HIV-virus en ander soa-leed gelaten voor wat het is, en legt behoudens enige borst- en bilpartijen vooral acteertalent bloot.

Roland de Beer

Meer over