boekrecensie

Luc Panhuysen stuitte op een verdomd goed verhaal. En hij weet er raad mee ★★★★☆

Waarom zou je ruim driehonderd pagina’s willen lezen over de slag bij Duins in 1639? Lees Het monsterschip van Luc Panhuysen en je weet het. De ontknoping is zenuwslopend.

Frank Hendrickx
null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Vreemd misschien, maar tijdens het lezen van Het monsterschip van Luc Panhuysen kwam opeens een scène uit een documentaire over The New York Times bij mij naar boven. Daarin kijkt hoofdredacteur Dean Baquet op televisie naar de inauguratie van Donald Trump en murmelt verlekkerd, zoals waarschijnlijk alleen een journalist op zo’n moment kan doen: ‘What a story. What a fucking story.’

Het onlangs verschenen werk van Panhuysen roept een vergelijkbare sensatie op. De historicus en ex-journalist legt in het boek amper uit waarom hij ruim driehonderd pagina’s heeft geschreven over de slag bij Duins van 1639, terwijl dat toch een gerechtvaardigde vraag lijkt. Ter illustratie: in het standaardwerk De Republiek van de Britse historicus Jonathan Israel krijgt de episode bij Duins (The Downs) één alinea toebedeeld. In het recentere boek van Maarten Prak, Nederlands Gouden Eeuw, is er niets over terug te vinden.

De zeeslag bij Duins zal in de maritieme geschiedenis best een ereplaats verdienen, maar ik vermoed dat bij Panhuysen ook oude journalistieke instincten een rol hebben gespeeld bij de keuze voor dit onderwerp. Om Baquet te parafraseren: de slag bij Duins is een goed verhaal, een verdomd goed verhaal. En Panhuysen weet er raad mee.

Kleurrijke personages

Het begint al met de kleurrijke personages, hoofdpersoon Maarten Harpertszoon Tromp voorop. De zeeman uit Den Briel (‘Brielenaren waren halve vissen’, aldus Panhuysen) moet in 1610 als 11-jarige matroos toekijken hoe piraten bij Kaap Verde zijn vader vermoorden en daarna het lichaam overboord kieperen. De jonge Tromp wordt ontvoerd en dient twee jaar als kajuitslaaf van de Britse zeerover die verantwoordelijk is voor de dood van zijn vader.

Als twintiger wordt Tromp nog een jaar gevangengenomen door Barbarijse piraten bij Noord-Afrika en in 1629 staat hij naast Piet Hein als die wordt gedood door Duinkerkse kapers. Een kogel rukt Heins schouder eraf en terwijl Tromp onder het bloed zit van zijn ‘tweede vaderfiguur’, neemt hij wraak. Hij overmeestert zo’n honderd kapers en laat ze allemaal opknopen. Zo waren de manieren.

Panhuysen neemt de tijd om toe te werken naar de apotheose van het boek: de clash van Tromp met de armada van de eerzuchtige en overmoedige Spaanse admiraal Don Antonio de Oquendo. Hij schetst vakkundig de context waarin het gevecht plaatsvond: een neutraal Engeland dat gebukt gaat onder Schotse opstanden, Spanje dat moeite heeft om het eigen imperium bij elkaar te houden en de Fransen die graag de Nederlandse bondgenoten het vechten op zee laten opknappen.

Als Tromp in 1637 wordt benoemd tot luitenant-admiraal van de Nederlandse marinevloot, gaat de Republiek gebukt onder ‘een tweekoppige plaag’. Allereerst zijn er de Duinkerkse kapers, die te snel en behendig zijn voor de verouderde Nederlandse schepen. De koopvaart en visserij gaan zwaar gebukt onder het gebrek aan bescherming. In 1635 zit zo’n 10 procent van de Nederlandse vissers vast in een Duinkerkse gevangenis. Andere vissers vergaat het slechter: zij worden door de piraten met de ruggen tegen elkaar gebonden en in zee gesmeten.

Naast het bestrijden van de kapersplaag moet Tromp voorkomen dat Spanje verse troepen weet af te leveren in Duinkerken. In La Coruña wordt dan al gewerkt aan de samenstelling van een van de grootste armada’s ooit.

Panhuysen beschrijft hoe de nieuwe luitenant-admiraal bij de regenten in de Republiek moet bedelen om zijn vloot enigszins op niveau te krijgen. Hij boekt enig resultaat, maar uiteindelijk moet Tromp het met 17 schepen opnemen tegen een 77 schepen grote armada.

Een bijzondere tactiek

Het monsterschip komt wat traag op gang, maar krijgt vaart als Tromp niet langer het zand van het Binnenhof onder zijn voeten voelt en zijn schepen langs de verraderlijke zandbanken van de Noordzee laveert. De luitenant-admiraal, die door spionnen wordt geïnformeerd over de voortgang van de armada, werkt dan aan een tactiek om de Spanjaarden te verslaan: de Nederlandse schepen moeten zo goed samenwerken dat ze met elkaar ‘een monsterschip’ vormen. Complicerende factor is de moeizame relatie met sterkapitein Witte Cornelisz. de With, alias Dubbelwit, een man die zich moeilijk kan schikken in zijn ondergeschikte rol en Tromp gaat haten.

Naast de intriges tussen de kapiteins, die ‘achter de mast’ verblijven, beschrijft Panhuysen ook het leven van het gewone zeevolk ‘voor de mast’. Het werk is uitputtend, de schepen zijn koud en krap, het kielwater dat door de kieren naar binnen sijpelt, meurt naar kots, stront en urine en als er een vijandelijke kogel inslaat, vliegen de splinters in het rond.

Bij de tegenstanders – ‘de specks’ (varkens), zoals de Spanjaarden in die tijd worden genoemd – is de moraal nog slechter. In Spaanse steden zijn voetgangers lukraak door ronselaars in de ijzers geslagen; iedereen die zich niet kan vrijkopen, gaat aan boord. Boerenjongens worden opgepakt, in ondergrondse holen gegooid en doorverkocht aan de recruiters van de koning.

Dat ongelukkige gezelschap stevent af op de onvermijdelijke zeeslag bij de Britse kust. De eerste verrassingsaanval van Tromp vindt plaats bij Beachy Head, daarna volgt de zenuwslopende confrontatie bij Duins. Geen lezer zal zich op dat moment nog afvragen waarom hij Het monsterschip moet lezen.

Wat een verhaal.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Luc Panhuysen: Het monsterschip – Maarten Tromp en de armada van 1639. Atlas Contact; 327 pagina’s; € 29,99.

Meer over