Boeken

Louis Menand schetst een fenomenaal beeld van denkers en kunstenaars in de ‘vrije wereld’ ★★★★★

The Free World is een magistrale ideeëngeschiedenis over het Westen in de Koude Oorlog. De rivaliteit tussen Parijs en New York loopt als een rode draad door het epos.

null Beeld Avalon Nuovo
Beeld Avalon Nuovo

Dwight Eisenhower was de opperbevelhebber van Operatie Overlord, de invasie van de geallieerde troepen op de stranden van Normandië op 6 juni 1944 (D-Day). De bevrijding van Parijs had voor hem geen prioriteit. De stad had geen militaire betekenis. Integendeel, lijf-aan-lijfgevechten in de nauwe straatjes van de Franse hoofdstad zouden de opmars van de troepen naar Berlijn alleen maar vertragen.

Charles de Gaulle, de aanvoerder van de Vrije Franse Strijdkrachten en leider van de Franse regering in ballingschap, dacht daar heel anders over. In zijn ogen stonden de Franse communisten (die veel goodwill hadden opgebouwd in het verzet) klaar om de macht te grijpen zodra de bezetters de wijk zouden hebben genomen. Zo’n reprise van de Franse Revolutie moest tot elke prijs worden voorkomen.

Op 15 augustus sloeg de vlam in de pan. De Parijse politie ging plotseling in staking (om hun door collaboratie met de Duitsers geschonden blazoen te zuiveren). Een spontane opstand onder de bevolking brak uit. De geallieerden begrepen dat de inname van Parijs nu weinig moeite zou kosten en bovendien een grote morele overwinning zou opleveren. Parijs was immers veel meer dan de hoofdstad van een berooide en verscheurde natie. Parijs was de culturele hoofdstad van de wereld.

Louis Menand – gelauwerd hoogleraar Engelse literatuur aan Harvard en redacteur van The New Yorker – somt op: ‘Parijs was de stad waar Henry James Ivan Toergenjev ontmoette, waar Pablo Picasso kennismaakte met Gertrude Stein en Vladimir Nabokov met James Joyce. Salomé van Oscar Wilde en Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky beleefden daar hun première. Parijs was de geboorteplaats van het kubisme en het surrealisme. Het was de thuishaven van dada en de muzikale vernieuwers van Les Six. De eerste bioscoop ter wereld opende in Parijs.’

De Gaulle stond erop om als eerste de hoofdstad binnen te trekken. Dat was akkoord, maar er was een complicatie. De Vrije Strijdkrachten waren diverse tinten beige, bruin en zwart; ze waren immers gerekruteerd uit de Franse koloniën. Afrikanen aan kop van de troepen op de Champs-Élysées – dat vonden zowel De Gaulle als de Amerikanen en de Britten geen mooi plaatje. En dus werd die eer gegund aan de Tweede Pantserdivisie. Die bestond voor 75 procent uit witte Europeanen.

Zo werden de communisten en de mensen van kleur naar de coulissen gedirigeerd. Juist zij zouden weldra de belangrijkste uitdaging vormen voor wat aan de westerse kant van de Koude Oorlog de vrije wereld werd genoemd.

Magistrale ideeëngeschiedenis

Die uitdaging betekende dat er echt iets op het spel stond. Louis Menand noemt zijn magistrale ideeëngeschiedenis niet voor niks The Free World. In een paar rake alinea’s zet hij persoonlijkheden als George Kennan, Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, George Orwell, Hannah Arendt, C. Wright Mills, Malcolm X, Susan Sontag en Claude Lévi-Strauss (die zich Claude L. Strauss noemde om associaties met spijkerbroeken te vermijden) neer. Zij – en nog een paar dozijn anderen in verdienstelijke bijrollen – droegen elk op hun eigen manier bij aan de bevrijding van individu en samenleving. Totdat het feest ruw verstoord werd in Vietnam.

De rivaliteit tussen Parijs en New York loopt als een rode draad door Menands epos. Dat het culturele zwaartepunt aan de overzijde van de Atlantische Oceaan kwam te liggen, is veel te simpel gedacht; het ging veeleer om een creatieve kruisbestuiving tussen het oude en het nieuwe continent.

Zo prezen Sartre en De Beauvoir Franse vertalingen van Amerikaanse schrijvers als Faulkner, Dos Passos, Hemingway en Steinbeck aan als ‘de belangrijkste ontwikkeling’ in het Franse literaire leven van hun tijd. Ze gingen ook graag naar de film, al vond Sartre Citizen Kane (Orson Welles, 1941) een beetje tegenvallen. De Beauvoir bleek een warm pleitbezorger van een naakte Brigitte Bardot in Et Dieu… créa la femme (Roger Vadim, 1956): ‘Ze is een vrije vrouw, die zich van niemand iets aantrekt. Ze eet wanneer ze honger heeft en bedrijft de liefde op dezelfde vanzelfsprekende manier.’ De film brak in Amerika alle records.

Op zijn beurt emigreerde de 24-jarige James Baldwin in 1948 van New York naar Parijs. ‘Ik kwam niet naar Parijs, ik ontvluchtte Amerika’, verklaarde de schrijver van Go Tell it on the Mountain en The Fire Next Time. ‘Ik wist wat het betekende om een nigger te zijn en wat mij zou overkomen.’ Als socialistische zwarte homoseksueel kon hij zich niet ontplooien, zelfs niet in de Village, de kunstenaarswijk van New York. Parijs, toevluchtsoord voor zwarte schrijvers uit alle hoeken van het op instorten staande Franse koloniale rijk, was een warm bad voor Baldwin.

Sartre besefte als geen ander dat het hoog tijd werd voor de autochtone bevolking om zich bewust te worden van le regard blanc (de witte blik): ‘Wij, Europese blanken, hebben drieduizend jaar het privilege gehad om te zien zonder zelf gezien te worden. Maar nu worden we zelf bekeken door de vrije en wilde ogen van buiten.’

De elite ontregelen

Louis Menand onderstreept dat vrijheid ook nog een andere betekenis heeft: het ontregelen van de culturele elite. Met smaak schrijft hij over provocateurs als Jackson Pollock met zijn druipschilderijen en John Cage met zijn compositie 4’33’’ (vierenhalve minuut stilte). Het waren de jaren van de democratisering van de cultuur. Menand: ‘Amerika koloniseerde de wereld niet door de Partisan Review of door het Museum of Modern Art, maar door popart en Hollywood.’

Popart exploiteerde de alledaagse visuele omgeving, in het bijzonder commercie en entertainment. Denk aan verpakkingen (Andy Warhols Brillo-dozen en Campbell-soepblikken), advertenties, foto’s in kranten en tijdschriften, films en tv. Was het maatschappijkritiek? Satire? Of juist het vieren van kunstzinnige reclame? De popartiesten zelf ontweken die vragen. Grenzen tussen kunst, design en commercie vielen in elk geval weg. Dat zag je sterk aan het ontwerp van auto’s. De Cadillac uit 1948 was de eerste met staartvinnen. Zeven jaar later waren de auto’s uit Detroit zo overdadig met chroom, bumpers en ornamenten overladen dat critici spraken van ‘jukeboxen op wielen’. Bij Roland Barthes viel de gestroomlijnde Citroën DS 19 meer in de smaak: ‘DS spreek je uit als déesse, godin.’

Kruisbestuiving kan ook giftig zijn. Zo heeft Louis Menand weinig op met een indringer in zijn eigen vakgebied: Jacques Derrida. Deze Fransman was de protagonist van de ‘deconstructie’ van teksten, een methode die de literatuurwetenschap jarenlang heeft lamgelegd. ‘Deconstructie’, schrijft Menand, ‘is moeilijk uit te leggen op een manier die consistent is met deconstructie. Dat blijkt wel uit de notoire woordenspelletjes en cirkelredeneringen in het proza van Derrida. Deconstructie is als het graven van een gat in het midden van de oceaan met een schep die van water is gemaakt.’

null Beeld Farrar, Straus and Giroux
Beeld Farrar, Straus and Giroux

Louis Menand: The Free World – Art and Thought in the Cold War. Farrar, Straus and Giroux; 873 pagina’s; € 31,99.

Meer over