Lofzang op de diepgang

OM MAAR meteen met de deur in huis te vallen: wat doe je als je te horen krijgt dat je niet lang meer te leven hebt....

Willem Kuipers

Ongetwijfeld wordt een mens op zo'n moment door een stortvloed van emoties overspoeld, en zal het even duren voordat hij de boodschap heeft verwerkt. We hebben het de laatste jaren in tal van televisiedocumentaires kunnen zien, als je het al niet zelf van nabij hebt meegemaakt. Maar vervolgens. Ga je zitten wachten? Denk je, welaan, dan steken we er nog maar een op, gieten er onbekommerd een extra glas whisky in, bedrijven de liefde nog wat vaker, kortom doen er nog een schepje boven op, of. . . zien we van alles af, wordt onthouding het devies en bereiden we ons als monniken voor op de dood, zuiveren we ons bij wijze van spreken, buigen we deemoedig het hoofd voor de Autoriteit, die ons kan maken en breken, de sadist, die er genoegen in lijkt te scheppen dit wrede spel met ons te spelen?

Het zijn vragen die de Australische schrijver Robert Dessaix (Melbourne, 1944) zich moet hebben gesteld voordat hij aan zijn roman Brieven uit de nacht begon, want in dit boek is zo'n aangekondigde dood het onderwerp. Dat bleek, gezien de vreemde vorm van deze roman, nog niet zo eenvoudig, als Dessaix al niet iets heel anders in gedachten had. Maar laten we eerst eens bezien wat hij doet.

In Brieven uit de nacht komt een man aan het woord, die van zijn Chinese arts in Australië te horen heeft gekregen dat hij 'positief' is bevonden. Als hij het zijn vriend Peter vertelt, gebeurt er het volgende: 'Er viel - ach, ga maar na - een lange stilte. In de felle zon zoefden de auto's voorbij, een paar fietsers. Ergens vlak achter ons schoot iemand in de lach. En toen, terwijl hij hier toch ook geen ervaring mee had, zei Peter twee dingen die ik geweldig vond. Geen kneepje in mijn hand, geen kus, geen obligaat medelijden, niet eens 'O, wat erg'. Hij bedacht iets veel beters en zei zachtjes - en het heeft me immens veel goed gedaan: 'Ten eerste: ik blijf bij je tot het eind. En ten tweede: ik red me heus wel.' '

Het zijn woorden die, men zal het begrijpen, de ten dode opgeschreven man ontroeren. Ik citeer ze, enerzijds omdat ze iets duidelijk maken over de persoonlijke achtergrond van de verteller (van wie we op dat punt nagenoeg niets te horen krijgen), en anderzijds omdat hier bij wijze van hoge uitzondering de pijnlijke plek, de kiem van dit boek, wordt aangeraakt. Het wil niet zeggen dat Dessaix ons de gevoelens die bij zo'n thematiek als het ware vanzelf de kop opsteken, onthoudt - natuurlijk denkt de verteller regelmatig, soms met schrik of paniek, aan zijn naderende dood -, maar die kant van het verhaal blijft onderbelicht. Dát verhaal heeft Dessaix klaarblijkelijk niet willen vertellen. Welk verhaal dan wel?

Het begint ermee dat Dessaix niet rept van een aangekondigde dood, maar spreekt van een 'annunciatie', het woord dat staat voor de aankondiging van het leven zoals Maria die te horen kreeg van de aartsengel Gabriël. Die associatie is niet zo gek, want de man om wie het gaat, is na het bericht over zijn ongeneeslijke ziekte op reis gegaan naar Europa, naar Zwitserland en Italië, en uiteraard ziet hij in dat laatste land de schitterende schilderijen die er juist van deze annunciatie zijn gemaakt (die van Fra Angelico vindt hij de mooiste).

In het woord dat Dessaix gebruikt, annunciatie, zit nadrukkelijk iets verscholen van de manier waarop de verteller zijn naderende einde tegemoet wenst te treden. Onversaagd, opgewekt haast, onsentimenteel, al gaat het niet zonder wanhoop - alsof er niets aan de hand is, het leven gewoon doorgaat, of eigenlijk: alsof het leven in de korte tijdsspanne die nog rest, even helemaal opnieuw moet worden geleefd (maar dan goed).

Dat laatste verklaart waarom de verteller in dit boek nauwelijks een geschiedenis heeft. Ja, hij heeft Peter, en is Australiër, maar beide gegevens zeggen niet zozeer iets over deze man, als wel over de intentie van de schrijver. Dessaix heeft een personage gecreëerd, zonder verleden en (pijnlijk genoeg) zonder toekomst, omdat hij nauwelijks van plan was om het schrijnende levensverhaal van een stervende man te vertellen, maar veeleer iets wilde zeggen over het leven in het algemeen, over de waarde van het esthetische daarin en vooral over literatuur, - en dat laatste maakt zijn boek aanzienlijk interessanter dan wanneer het een verkapte autobiografie zou zijn geweest.

De kunstgreep waaruit Dessaixs artificiële bedoelingen blijken, is een ouderwetse, negentiende-eeuwse, die van een 'bezorger' die een stel brieven vindt en deze editeert. Het is niet zo'n geslaagde truc, want een beetje al te doorzichtig, maar dat doet er niet zoveel toe. De brieven die we dank zij deze Igor Miazmov te lezen krijgen, zijn allemaal in drie weken tijds in Venetië geschreven en ze gaan over de reis die de stervende man langs plaatsen als Locarno, Vicenza en Padua heeft gemaakt.

Het zijn schitterende (door Sjaak Commandeur prachtig vertaalde), en tegelijkertijd heel merkwaardige brieven, deels verhaal, deels essay, deels levensbeschouwing en wat ze, los van hun inhoud, als je dat tenminste kunt zeggen, zo aantrekkelijk maakt, zijn de souplesse en de overtuigingskracht waarmee ze zijn geschreven.

Onder de hand van deze briefschrijver ontstaat in die luttele weken zo'n boeiend beeld van dit brokje Europa, zijn historie, zijn kunst(geschiedenis), zijn literatuur, dat je geleidelijk aan begint te begrijpen wat het woord 'diepgang' in ons goddeloze tijdsgewricht wil zeggen. Want daarnaar is deze stervende Australiër - afkomstig uit een land dat wij allerminst met zo'n verheven idee associëren - in Europa op zoek (maar hij spaart ons en in het bijzonder de Italianen met hun 'boerenkeuken' de roede niet).

Diepgang is voor hem niet vanzelfsprekend, iets wat met het leven of met een bepaalde (religieuze, filosofische) instelling ten opzichte van het leven is verbonden, diepgang is iets wat de mens schépt, het is wat een beschaving de allure geeft die je in Toscane kunt zien in een mate die niet alleen Stendhal ziek maakte. Brieven uit de nacht is een, hoe nuchter onder woorden gebracht ook, liefdevolle lofzang op wat de mens in de loop van de eeuwen allemaal bij elkaar heeft geschilderd, geschreven en gemusiceerd. Het is een huldeblijk aan het esthetische, aan de esthetica als de bekroning, als het hoogst bereikbare voor de mens, niet het esthetische, zoals het kant-en-klaar op de schappen van de kunsthistorische instituten ligt, maar de schoonheid, de vormkracht en de wil om de trivialiteit van alle dag tot iets genietbaars te maken, opdat ze hun werking in het volle leven kunnen krijgen, buiten de vaste domeinen van de kunst.

Met zijn meeslepende verhalen over artistiek bevlogenen op de Monte Veritá bij Ascona, over hoeren en hoge heren in het oude Venetië, over straatslijpers, travestieten en snollen in het eigentijdse Vicenza of Padua, met zijn punctuele vergelijking tussen de geschriften van Marco Polo (die reisde om goud en geld te vergaren) en Casanova (die reisde om het uiterste aan genot uit het leven te halen) is Brieven uit de nacht een heel bijzonder reisboek geworden, een hulde aan de levenslust, het nietzscheaanse adagium indachtig dat álle lust eeuwigheid wil ('Denn alle Lust will Ewigkeit, will tiefe, tiefe Ewigkeit'). En uiteraard is het schatplichtig aan Der Tod in Venedig van Thomas Mann, wat Dessaix niet onder stoelen of banken steekt.

Maar is het wel een reisboek? In mijn ogen is deze tweede roman van Robert Dessaix (de eerste ken ik jammer genoeg niet) vóór alles een boek over literatuur, de literatuur niet als bibliotheek, maar als paradijs dat door nieuwe generaties steeds weer wordt herontdekt en zelfs herschapen. De literatuur buiten de bibliotheek, vervlochten met heden en verleden, met hoog en laag, met lichaam en geest, met het nu. De poging die Dessaix doet om Dante en zijn Goddelijke Komedie daarin te betrekken, is op het nonchalante af verfrissend en oprecht (ik bedoel zonder aanstellerij of snobisme). Het meest wonderlijke aan dit boek is nog wel dat het je zo vertrouwd voorkomt. Als was het een brief van een vriend, een Australische vriend nog wel (van wie ik vermoed dat hij nog lang niet dood gaat).

Meer over