Drama

Liverpool

Alonso speelt met verwachtingen kijker

Jan Pieter Ekker

De titel van de nieuwste film van de Argentijn Lisandro Alonso is een tikje misleidend. Liverpool is geen stadsportret en ook geen film over de roemruchte geschiedenis van de voetbalclub. Geenszins.

Ook de brutale titelsequentie kan de kijker makkelijk op het verkeerde been zetten. In een stevig tempo verschijnt een karrenvracht credits op het doek. Niet alleen de naam van de regisseur, de scenarist (Alonso zelf) en de hoofdrolspelers, maar ook die van de (co)producenten, onder wie de Nederlandse Ilse Hughan, de cateraars, de montageassistenten, de fondsen die bijdroegen aan het budget van nog geen 500 duizend dollar (CineMart en het Hubert Bals Fonds van het International Film Festival Rotterdam). Op de geluidsband klinkt muziek van Flormaleva.

Als de laatste namen uit beeld zijn verdwenen en de muziek is weggestorven, zijn drie mannen te zien, in een lang, bewegingloos shot. En ook hier speelt Alonso een spelletje met het verwachtingspatroon. Het draait niet om de twee die op de voorgrond een potje voetbal op de PlayStation spelen, maar om de derde, die op de achtergrond toekijkt.

Farrel heet hij, en hij is al jaren op zee. Als zijn containerschip de haven van Ushuaia nadert, gelegen in zuid- Argentinië, vraagt Farrel zijn kapitein toestemming om aan land te gaan. ‘Ik ben er geboren’, zegt hij. ‘Ik wil kijken of mijn moeder nog leeft.’

Hij stopt kleren en een fles wodka in een weekendtas, en gaat van boord. Hij eet, hangt, wandelt, vaart, neemt een flinke lurk uit zijn bodemloze fles, en vraagt of hij kan meerijden naar het nog zuidelijker gelegen Tolhun – steevast in langgerekte, vrijwel bewegingloze shots, waarin een prominente rol is weggelegd voor het overweldigende landschap.

Wat het doel is van de reis blijft ongewis. De meeste informatie zit in een merkwaardige monoloog. ‘Wat doe je hier?’ vraagt een oude man aan Farrel, die niet kan antwoorden omdat hij bijna bevroren is nadat hij de nacht voor zijn ouderlijk huis heeft doorgebracht. ‘Niet lang nadat je bent vertrokken is Analía geboren. Niemand kent je hier nog. Zelfs je moeder niet. Ze is ziek. Ik heb geen idee waarom je bent teruggekomen.’

Als hij al lang en breed vertrokken is, blijft de camera achter in het van God vergeten dorp, en moet de kijker maar zien uit te vissen wat Farrels band is met het inerte meisje dat zo graag hartjes tekent. Misschien is het cadeautje dat hij voor Analía heeft meegebracht een clou, of anders het magistrale, wrede landschap, of de subtiele oogopslag die de twee wisselen in een café.

Liverpool is geen film waarmee Alonso een nieuw, groter publiek zal aanboren, daarvoor is hij te hermetisch, te minimalistisch. Voor zijn kleine doelgroep vertoont het Amsterdamse Filmmuseum de komende dagen ook Alonso’s eerdere werk: La libertad (5 juni), Los muertos (6 en 7 juni), en Fantasmo (9 en 10 juni).


Meer over