LITERATUURGESCHIEDENIS IN POSTMODERN VAARWATER Miereneters en giraffen in de letteren

'L A MODERNITÉ', schreef in 1863 Baudelaire in het essay Le Peintre et la vie moderne, 'de moderniteit is het voorbijgaande, het vluchtige, het toevallige....

En hij had uiteraard gelijk: de wise saws vormen een andere categorie dan de modern instances.

'De moderniteit', schrijven 133 jaar later Frans Ruiter en Wilbert Smulders in hun Literatuur en moderniteit in Nederland: 1840-1990, 'de moderniteit, met al haar tegenstrijdigheden en conflicten, is de biotoop waarin de moderne literatuur floreert (en soms verpietert), het is de natuurlijke omgeving waarop ze voortdurend haar overlevingsstrategie heeft moeten afstemmen.'

Vervolgens noteren zij, en het is een zin waaraan de lezer nog tientallen keren zal terugdenken naarmate hij vordert in het boek: 'Los van die context verwordt de geschiedenis van de moderne literatuur al gauw tot een curieuze opeenvolging van vreemde aberraties en uitgesponnen malligheden, zoals de miereneter en de giraffe vreemde verschijningen blijven voor wie hun leefomstandigheden niet kent.'

Het interessante van Baudelaire is dat hij de moderniteit in de eerste plaats als een onderdeel van het kunstwerk ziet, als de neerslag van wat hij noemt 'het geheugen van het heden'. Letterlijk zegt hij: 'Bijna al onze oorspronkelijkheid berust op het stempel dat de tijd op onze waarnemingen drukt.' Een hedendaags schilder kan heel goed de draperieën van Rubens of Veronese bestuderen, hij zal daaruit alleen niet kunnen opmaken hoe een moderne 'rok van gesteven mousseline' moet worden geschilderd, ou toute autre étoffe de nos fabriques.

Maar, zo voegt hij eraan toe, de moderniteit kan slechts dan op een waardige manier antiquiteit worden, naar de mate waarin 'de mysterieuze schoonheid die het menselijk leven er onvrijwillig in aanbrengt, eraan zal zijn onttrokken'.

Met andere woorden: in het heden is de kunstenaar gedwongen modern te zijn, hij kan niet anders, maar later, door de geschiedenis, zal hij op andere aspecten worden beoordeeld.

Het zou interessant zijn om te weten wat Baudelaire van giraffen of van miereneters zou hebben gedacht, van de aberraties die alleen maar in de context van hun biotoop kunnen worden begrepen. Het is alleen de vraag of hij er zo naar gekeken zou hebben, of hij ze los van die omgeving gek of vreemd zou hebben gevonden. Baudelaire was er de man niet naar een schilderij, of een gedicht, zo strak in een maatschappelijke, politieke of sociaal-economische mal te drukken dat er van de individuele eigenaardigheden zo goed als niets overbleef. Bovendien zou hij een aberratie, als hij dat woord al had gekozen, eerder in artistieke dan in andere termen hebben benaderd.

Het probleem met het boek van Ruiter en Smulders is dat zij een literatuurgeschiedenis hebben geschreven waarin de literatuur zelf haast uitsluitend fungeert als het vehikel of als het object van maatschappelijke processen. Of ze dat ook hebben gewild is wat anders, het is in elk geval het gevolg van hun literatuursociologische habitus. En er is nog een tweede probleem: het begrip moderniteit, in de titel gebruikt, verspringt bijna even vaak van kleur als dat het wordt gebruikt, en wordt moeiteloos verwisseld met begrippen als 'modernisering', 'emancipatie', 'maatschappelijke ontwikkeling', 'verzuiling' en 'ontzuiling'.

Daarbij hebben de auteurs nagelaten te onderzoeken, en dat zou eventueel tot een baanbrekend boek hebben kunnen leiden, of het juist de aanwezigheid van moderne, modernistische of anderzins vernieuwende elementen is geweest die aan de onderhavige schrijvers en literaire werken hun plaats in de geschiedenis en in de canon heeft gegeven.

Daar staat tegenover dat Ruiter en Smulders een zeer gedegen en bij vlagen zelfs uitgesproken spannende analyse geven van de manier waarop de diverse maatschappelijke stromingen zo vanaf het midden van de vorige eeuw de literatuur voor hun respectieve karretjes hebben trachten te spannen. Vooral de eerste 150 pagina's van hun boek kunnen gelezen worden als een brede recapitulatie van wat de dominees, de pastoors, de meer of minder verlichte burgers en de opkomende sociaal-democraten van de literatuur verwachtten.

Het jammere is alleen dat die verwachtingen meestal zo braaf, zo onbenullig waren, zo volstrekt tegen de uitstraling die de literatuur als literatuur zou kunnen hebben, dat er tussen al die réveil- en andere emancipatiebewegingen nauwelijks goudstukken kunnen worden opgeraapt. En waar die goudstukken er wel zijn, daar zijn ze steeds afkomstig van totaal onafhankelijke geesten, aberraties in een oceaan van gezapigheid, die door Ruiter en Smulders (en door hun methode) haastig worden verbannen naar een cultureel niemandsland: Busken Huet, Multatuli, Vincent van Gogh (vanwege zijn brieven), de filosoof Cornelis Willem Opzoomer. Hun 'moderniteit', evenals die van bijvoorbeeld de historicus Robert Fruin, staat buiten de inhoud van de debatten en valt helaas daarom ook buiten de opzet van deze studie.

Bij het aanbreken van de twintigste eeuw, en in feite al eerder bij de behandeling van de Tachtigers, begint de methode van het boek zich danig te wreken. Als voor het eerst de literatuur zich werkelijk begint te oriënteren op die van het buitenland en op het reanimerende levensgevoel dat daar aanwezig is, dan neemt het aantal giraffen en miereneters zodanig toe dat de toestand zich al lang niet in termen van maatschappelijke tegenstellingen laat beschrijven. Wat schrijven Smulders en Ruiter bijvoorbeeld over Louis Couperus?

Twee keer wordt hij genoemd, als de decadentie van het fin de siècle ter sprake komt en later in een citaat van Lodewijk van Deyssel, die opmerkt dat Couperus 'met één zwierig zwaaitje' hetzelfde bereikt als schrijvers die zich 'doodelijk aftobben en er vuile vingers en zweetende hoofden van krijgen'.

Een mooi citaat, maar alle zeg maar kosmopolitische aspecten van Couperus, of bijvoorbeeld zijn uiterst moderne visie op het politieke probleem van Nederlandsch-Indië of de politieke betekenis van zijn historische romans, voor dat alles is geen plaats, want het valt buiten de 'probleemstelling' die de auteurs hebben geformuleerd.

Opnieuw, het verkavelde literaire landschap waarin het aanbreken van de nieuwe eeuw links en rechts wordt aangegrepen om vooral onze eeuw te begroeten, het wordt vakkundig en secuur uit de doeken gedaan.

Calvinisten spreken zich uit in het blad Ons tijdschrift, katholieken doen dat in Van onzen tijd, de leden van de SDAP schrijven in De nieuwe tijd en als Albert Verwey in 1905 met het blad De beweging een soort paarse coalitie van alle op de toekomst gerichte gezindten van de grond probeert te krijgen, waarbij voor de dichter een leidinggevende rol zal zijn weggelegd, dan is die poging even naïef als vruchteloos.

De verdienste van het blad is dat het een podium bood aan figuren als Nijhoff, Bloem en Van Doesburg, maar ook zonder De beweging zouden die er wel zijn gekomen.

In hun behandeling van de jaren dertig betonen Ruiter en Smulders zich plotseling veel selectiever. Aan de positie van Forum wordt niet dan zeer terloops aandacht besteed, terwijl over het katholieke blad De gemeenschap uitbundig de trom wordt geroerd. Kennelijk is de 'ongebondenheid' van Forum minder een bijdrage aan de moderniteit dan de vaak nogal vage en soms naar het fundamentalistische zwemende ideeën ten aanzien van een 'katholieke herordening' die De gemeenschap naast het kapitalisme en het communisme wenste te projecteren.

Er is echter één aspect van De gemeenschap dat voor het betoog van dit boek zeer wezenlijk blijkt te zijn: het bevatte de kiem van het proces dat zich na de oorlog zal voltrekken en waarbij de grenzen tussen de hoge en lage cultuur zullen worden geslecht. Als de Volksschrijver in 1974 bij de NOS De Grote Gerard Reve Show verzorgt, dan is het de combinatie van televisie, een communistische jeugd in Betondorp, een ruim boven de persiflage uitstijgende knieval voor Rome, de tale Kanaäns, en de schrijver als kleine zelfstandige, waarin alle pogingen om de literatuur aan de maatschappij te verbinden hun definitieve hegeliaanse synthese hebben gevonden. Maar het is wel de meest ironische synthese, tenzij men haar beschouwt als de werkelijke bevrijding van de literatuur.

In hun haast om de geschiedenis binnen te loodsen in het postmoderne vaarwater waarin de literatuur slechts als een gemassificeerd, genivelleerd en gecommercialiseerd verschijnsel bestaat, niet meer aan de top van de culturele hiërarchie en zeker niet als 'geestelijk brandpunt', hebben Ruiter en Smulders zich misschien wat al te sterk laten meeslepen door wat zij aanzien voor een onstuitbaar in elkaar storten van oude waarden en achterhaalde ideologieën. Onbedoeld hebben ze daarmee echter ook aangetoond dat de werkelijke moderniteit eerder in gesteven mousseline zal worden aangetroffen.

Melchior de Wolff

Frans Ruiter & Wilbert Smulders: Literatuur en moderniteit in Nederland. 1840-1990.

De Arbeiderspers; 438 pagina's; ¿ 59,-.

ISBN 90 295 3706 X.

Meer over