Lieve landsmoeder en bron van kopzorg

Daar komt ministeriële verantwoordelijkheid bij te pas, dus is er druk overleg met mr. D.U. Stikker, ooit directielid van Heinekens brouwerij, nu minister van Buitenlandse Zaken, en in die hoedanigheid straks hare majesteits reisgenoot.

De discussies zijn lang en taai ('over één woord 4 uur gepraat!', zal Stikker later wanhopig onthullen) - op een gegeven moment roept de koningin ongeduldig uit: 'U wilt zeker dat ik zeg: het bier is weer best!'

Later trouwens zal ze aan een van Stikkers ambtenaren schrijven: 'Ik ben nooit zo ver gegaan als ditmaal om alle redevoeringen tevoren ter inzage te geven aan de Minister. Als hij niet wil dat ik ze houd, nu goed, dan zal ik improviseren en dan weet hij helemaal niet wat ik ga zeggen.'

Het beeld correspondeert niet helemaal met wat we in de afgelopen dagen in alle toonaarden hebben horen verzekeren over de lieve, 'gewone', van alle protocol afkerige landsmoeder, warm herinnerd door alle regeringsleiders en bewindspersonen die onder haar hebben mogen dienen.

Als het eropaan kwam hechtte Juliana zeer aan haar ponteneur, zocht ze net zo graag de grenzen van haar constitutionele bevoegdheden op als haar moeder dat vijftig jaar had gedaan en was ze voor haar ministers een even lastige als stijfhoofdige tegenpartij.

In de delen van de reeks 'Parlementaire Geschiedenis van Nederland na 1945' die de jaren van na haar troonsbestijging bestrijken, komen we haar in die rol ook veelvuldig tegen. Meteen al in 1949 was er een Haags binnenbrandje vanwege haar pogingen de benoeming van de KVP'er Van Maarseveen als minister van Overzeese Gebiedsdelen te verhinderen. Later sloegen de vlammen ook naar buiten, toen ze zich keerde tegen het gratiëringsbeleid van het kabinet en in de - zeker in die dagen behoorlijk spectaculaire - affaire-Lages haar zin wist door te drijven.

In deel VI van de serie - toevallig net nu verschenen - figureert ze opnieuw prominent als een bron van nogal wat kopzorg voor de oude Drees, die dan net toe is aan zijn vierde (en laatste) 'rooms-rode' kabinet. Het is 1956, en uitgerekend op de dag van de Tweede-Kamerverkiezingen (13 juli) publiceert Der Spiegel het verhaal dat op en rond het Binnenhof allang rondgonsde. Omslagtitel: 'Zwischen Königin und Rasputin. Geheimnisse im Haus Oranien'.

Niks geheim dus meer, alle pogingen ten spijt om de import van Der Spiegel (en een paar Engelse kranten) bij Zevenaar, Wuustwezel en Schiphol tegen te houden. De zaak-Greet Hofmans zal sindsdien met mystificaties en al op straat liggen.

In Het kabinet Drees IV en het kabinet Beel II, dat de parlementaire geschiedenis van de jaren 1956 tot 1959 beschrijft, wordt op basis van een zeer adequate samenvatting van de relevante feiten geconcludeerd dat de affaire niet of nauwelijks van invloed is geweest op de (binnenlandse) politieke ontwikkelingen en zeker niet op de breuk tussen KVP en PvdA, die in 1958, na meer dan twaalf coalitiejaren, definitief zou worden.

'Privézaak of staatszorg?' heet het desbetreffende hoofdstuk, en het antwoord op de vraag luidt dus dat het meer het eerste dan het laatste is geweest. Pas op het ogenblik dat er een ware koningscrisis dreigde, moet Drees hebben ingegrepen - en politiek is de crisis nooit geworden, waarschijnlijk mede dankzij de vrijwillige terughoudendheid van de pers die zich voor de laatste keer in de eeuw van haar allergehoorzaamste kant zou laten kennen.

Er speelden nog een paar kwesties van wat je politieke collateral damage zou kunnen noemen. De voornaamste gold de zaak rond Beyen, die in Drees III in een duobaan met Luns Buitenlandse Zaken had gedaan en die wegens vermeend 'heulen' met de partij van Bernhard en vermeend lekken naar de (Engelse) pers bij de koningin in onherstelbare ongenade was gevallen. Ministeriabel kon hij nooit meer worden.

Maar Juliana heeft ook nog langer dan een jaar z'n benoeming tot ambassadeur in Parijs weten te dwarsbomen.

Nogmaals: niet helemaal het beeld dat ons bij haar dood is voorgeschilderd. De herinnering aan een paar 'tegen'-kanten van haar koningschap zijn vanwege de coïncidentie pikant, maar ze spelen in het boek een betrekkelijk ondergeschikte rol: na de 'gesuste' commotie over de koninklijke huwelijksproblemen en de staatsrechtelijk keurig (maar nooit aan de openbaarheid toevertrouwde) 'afzoming' van de fricties tussen Huis en Kabinet is het rond Soestdijk ook jaren heel stil gebleven.

En deel VI van de 'Parlementaire Geschiedenis' hoeft het ook werkelijk niet alleen van de royalty te hebben. Het roept een zeer overtuigend beeld op van de regeer-regentenstijl in de veel verguisde jaren vijftig, maar het laat op een haast terloopse manier ook zien dat het decennium en het daarmee vaak ten onrechte geassocieerde klimaat van saaie oudbakkenheid op z'n einde liep.

En saai? Alleen het jaar '56 herbergde, los van mevrouw Hofmans, al grote historische evenementen: de 'destalinisatie'-rede van Chroesjtsjov, de opstand in Hongarije, de Suezcrisis - de ene opwinding was nog niet voorbij of de volgende diende zich aan.

En saai oudbakken?

Het jaar 1956 was toch maar het jaar waarin Nederland z'n eerste vrouwelijke minister mocht verwelkomen op een heel nieuw type departement, en die bovendien op de eerste constituerende borrel van Drees IV binnenkwam met de woorden: 'Jongens, ik ben Marga.'

Marga Klompé introduceerde in die dagen nog een andere omwenteling: de leden van het kabinet zouden mekaar voortaan tutoyeren. Maar iedereen was het erover eens dat Drees 'excellentie' en 'u' moest blijven.

Het kabinet-Drees IV is, conform de traditie die met de parlementaire geschiedschrijving in Nijmegen is gevestigd, een hoogst informatief en door diverse auteurs zeer terzake en aangenaam geschreven boek.

Jan Willem Brouwer en Peter van der Heiden (red.): Het kabinet Drees IV en het kabinet Beel II, het einde van de rooms-rode coalitie.
SdU; 371 pagina's; euro 45,-.
ISBN 90 12 0993 5.

Meer over