Liefde voor het vluchtige

Adriaan Morriën werd schrijver omdat hij een lezer was. 'Verbijsterd' had hij kennisgemaakt met de poëzie. Zonder de ambitie een oeuvre te scheppen, zonder krachtig schrijversego werd hij broodschrijver....

VEEL SCHRIJVERS, vooral de erg 'groten', gaan er prat op dat zij nauwelijks werk van anderen lezen, zeker niet van Nederlandse collega's. Harry Mulisch bijvoorbeeld heeft dikwijls gezegd geen andere verbeeldingswereld te kunnen toelaten als hij zelf een werk onder handen heeft. Reve leest liever elke dag Schopenhauer, W.F. Hermans bladerde pas, met de bijl in de aanslag, door het proza van een tijdgenoot als deze of gene hem lelijk had dwarsgezeten en diens reputatie aan gort moest worden gehakt. Schrijvers die ruimschoots genoeg hadden aan hun eigen wereldraadsels en kinderobsessies, en die van een ander er niet nog eens bij konden hebben.

Adriaan Morriën (1912) wandelde in 1936 de literatuur binnen als een gulzige lezer die argeloos verslag deed van zijn ontdekkingen. Zestig jaar lang stond hij open voor nieuw talent, koesterde hij zijn oude voorkeuren, volgde hij ook de minder aan hem verwante auteurs en bracht hij - wat indertijd bijna niemand deed - het beste uit het buitenland hier onder de aandacht, vooral uit het schuldbewuste, platgeslagen Duitsland. Als redacteur van literaire tijdschriften, vertaler, dagbladcriticus, docent en 'lector' voor uitgevers maakte hij zich zonder kennelijke weerzin dienstbaar aan andere literaire carrières.

Intussen was hij wel 'eigen' werk gaan schrijven. In 1939 debuteerde hij met de gedichtenbundel Hartslag, in de jaren vijftig verschenen zijn eerste bundels met verhalen en miniaturen. Voor dat eigen werk schoot altijd te weinig tijd over. Die ene, grote roman wilde er maar niet van komen. 'Ik geef het toe: ik ben een broodschrijver geweest', schrijft hij in het nawoord bij zijn twee nu verschenen dikke bundels verzameld kritisch proza, die dan ook de titel Brood op de plank dragen. Hij moest wel, vertelt hij. Kort na de oorlog trouwde hij en kreeg hij twee kinderen; zijn gezin moest eten. Maar hij gruwde bij het idee van een 'dienstbetrekking'. En zo tikte hij zich van deadline naar deadline.

Een volbloed criticus is hij nooit geworden. Zo eentje die genadig wikt en weekt, en met vanzelfsprekend gezag schrijvers richting eeuwigheid of ondergang dirigeert. Morriën typeert en begeleidt liever dan dat hij afwijst. In zijn enthousiasme voor 'het literaire leven' is hij verwant aan de onvermoeibare organisator K.L. Poll, maar hij mist de eigenschappen van een kunstpaus. Hij had dan wel geen talent voor ondergeschiktheid, zoals hij zelf schrijft, voor leiderschap had hij het nog minder. Op verlangen naar macht valt hij niet te betrappen. Ieder stuk, of het nu een vluchtige boekbespreking is of een gedegen essay, maakt de indruk alleen geschreven te zijn omdat hij een opmerkelijk boek las. Morriën bleef zestig jaar lang een toegewijd dilettant, een vakkundig liefhebber.

Hij werd schrijver omdat hij een lezer was. Niet de ambitie om een oeuvre te scheppen, niet de drang zich van demonen te verlossen was zijn motor, maar de ontdekking die hij deed in de vierde van de hbs. Tussen de schoolboeken, ook al gretig in de zomervakantie verslonden, zat een bloemlezing uit de Nederlandse literatuur van de Middeleeuwen tot 1920. Verbijsterd dat zoiets bestond las hij 'liedekijns', en gedichten van Holst, Bloem en Nijhoff. Het betekende een 'schokkende vergroting van mijn innerlijke ruimte', schreef hij in 1985.

In het milieu waarin Morriën opgroeide, werd maar één boek gelezen, de statenbijbel. Van de jongens in het straatje in IJmuiden was hij de enige die niet op z'n twaalfde naar een baas hoefde. Literatuur werd hem niet met de paplepel ingegoten. 'Gelukkig maar!', vond hij achteraf - een waarschuwing voor ijverige leesbevorderaars -, want anders had hij nooit 'die verstrekkende ontdekking' kunnen doen die zijn leven zou bepalen. Zijn leesverslaafdheid bleek een uitkomst toen hij aan een ernstige vorm van tuberculose bleek te lijden. Hij bracht de jaren dertig lezend in bed door, en dreef ver weg van IJmuiden. Maar een krachtig schrijversego, dat zich met het grootste gemak voor dat van anderen schuift, ontwikkelde hij intussen niet.

Dat maakt hem sympathiek, maar jammer is het ook wel een beetje. In de twee bundels met verhalen, portretten, 'impressies', herinneringen, invallen en dagboeknotities die in 1988 en 1996 verschenen, Plantage Muidergracht en Ik heb nu weer de tijd, valt op hoe consistent van toon en visie dit 'kleine' schrijverschap is. De 'ik' in deze stukken is een vrijwel bewegingloze, sensuele waarnemer met een gevoelig oog voor ontroerende, futiele details. Niet iemand die, zoals zijn iets jongere generatiegenoten - Reve, Hermans, Lucebert - de kwellende absurditeit van het bestaan, de voosheid van goede bedoelingen en de stupiditeit van de burgerman wil inwrijven. Morriëns stem klonk, naast het lawaai van zijn tijdgenoten, die een 'storm van driftig bidden' ontketenden, als verlegen gefluister.

Morriën wil betoveren, in zijn lyrische, door verstand beteugelde poëzie, met zijn ijle notities, en met zijn stukken over literatuur. 'Ik wil de mensen ervan bewust maken dat er veel negatieve gevoelens zijn die alleen maar berusten op een op de taal als grootste onderdrukkingsmiddel gebaseerd misverstand, maar die in principe weg te werken zijn', zegt hij in antwoord op een schrijversenquête in 1965. Een positief ingesteld mens dus, liefst wegdromend op kussens van weelderig vrouwenvlees.

Maar daarom nog niet halfzacht. Daarvoor is hij te geestig, vilein als het moet. Hij onderscheidt ethisch gezever scherp van menselijkheid, ijdeltuiterij van vormbeheersing. Hij ontwikkelde, zowel in zijn eigen werk als in zijn kritieken, een voorkeur voor verhalen boven romans, voor doorbladeren boven doorploegen. Toen hij zich in 1952 eindelijk een paar maanden had vrijgemaakt voor het schrijven van een roman, werd hij overvallen door apathie. Het hele genre kwam hem 'onnatuurlijk' voor, 'een demonstratie van eerzucht, ijdelheid, geknutsel en systeembouwerij'. Die bescheidenheid is mooi, maar ook gemakzuchtig. Afkeer en onwil werden omgebogen tot liefde voor het vluchtige, waarin hij grote perfectie zou bereiken.

Het bijzondere aan Brood op de plank is dat er iemand aan het woord is die in Nederland alle literaire stromingen en revoluties van de eeuw heeft zien opbloeien en wegebben. Zo oud is hij nu eenmaal. Als tijdschriftredacteur stond hij met zijn neus op alle dorpsruzies die tot literaire schisma's leidden. In zijn jongensjaren werd hij geïmponeerd door de poëzie van de Tachtigers. Gorter bleef hem dierbaar, Kloos vond hij later een pathetische aansteller, 'een olympiër op non-actief over wie de geest van de tijd een spreekverbod had uitgevaardigd'. Hij raakte onder de indruk van de zwerver Slauerhoff, bij wiens dood in 1936 hij zijn eerste, ietwat plechtige stuk schrijft: 'Met hem ging voor mij het hek van 'Hollands tuin' voorgoed naar een verschrikkelijke, gekwelde wereld open; door hem ook werd de terugkeer tot rustiger levensverbanden tegelijk moeilijker en meer de moeite waard.'

IN ZIJN kritieken uit de jaren veertig staat Morriën duidelijk onder de invloed van Du Perron en vooral Ter Braak, al was hij niet een van de idolate 'epigonen' die de mond vol hadden van Forum-clichés als 'honnêtteté' en 'persoonlijkheid'. Met Ter Braak had hij een scherp oog voor opgeblazenheid gemeen, zijn inzet voor andermans talent en ook wel de twijfelzucht. Net als die van Ter Braak zijn Morriëns vroege stukken doorwrochte, ernstige betogen, die zelden in een ferme conclusie eindigen. Gelukkig ontworstelde hij zich na enige tijd aan de houtenklazerigheid van de volslagen a-sensuele schoolmeester Ter Braak, zonder hem - typerend voor Morriën - ooit afvallig te worden.

Forum was indirect de aanleiding voor een van de weinig grote literaire ruzies waarin hij verwikkeld raakte. W.F. Hermans, in de jaren veertig zijn vriend en mederedacteur van Criterium, brak in de jaren vijftig in een aantal stukken, later gebundeld in Mandarijnen op zwavelzuur, de reputatie van de Forum-mannen en hun dweepzuchtige paladijnen, 'de dunne-boekjesschrijvers' en de 'dichters van het kleine geluk', tot de grond toe af. Hij ontmaskert Du Perron als een lafbek en Ter Braak als een naprater. 'Mandarijn Morriën' verwijt hij uit opportunisme het tijdschrift Criterium verkwanseld te hebben. In het voorbijgaan werpt hij Morriëns eigen werk als een prop over zijn schouder met de typering 'Over dit heupwiegende gekir schijnt voortdurend een langdradig lentezonnetje.'

Morriën, niet snel tot polemiek te bewegen, is getergd door Hermans' 'leugenachtige voorstelling van zaken'. Dit keer laat hij het er niet bij zitten, omdat niet alleen hij, maar ook de essayist J.B. Charles, die volgens Hermans op slinkse wijze een literaire prijs had bemachtigd, het slachtoffer werd van kwaadaardige insinuaties en ziekelijke wraakzucht. De brochure 'De gruwelkamer van W.F. Hermans of Ik moet altijd gelijk hebben' (1955) is een van Morriëns beste stukken. Haat blijkt ook hem, de spreekwoordelijke mildheid, scherpziend te maken. Je zou bijna wensen dat hij wat vaker getergd was.

Niet als afrekening is deze brochure geslaagd - ook Hermans had, uit zijn eenzame perspectief bezien, gelijk -, maar als volmaakt portret van de jonge, ambitieuze Hermans. Een jongen die gedreven werd door wrok jegens zijn kleinzielige ouders, die geen vriendschap kon voelen en daardoor hooghartig beweerde geen vrienden nodig te hebben. Een schrijver die naar eigen zeggen 'alleen maar kan omgaan met mensen die het volledig met mij eens zijn'. Ondanks zijn succes voelde hij zich miskend, en bij al het koelbloedige vertoon van haat was zijn werk een schreeuw om begrip, waarbij 'de waterlanders' altijd op de loer lagen. 'Een complotteur in zijn eentje', noemt Morriën hem, enig gelovige en tegelijk godheid in zijn eigen kerk, een 'fascistische desperado' die ieder ander mens veracht.

Hoe treffend deze typering ook mag zijn, zijn stellingname in 1955 verhindert hem helaas wel om in latere besprekingen van Hermans' werk daarin een ander motief te ontdekken dan wraakzucht. Over het personage Richard uit Een wonderkind of een total loss, een ontgoochelde schrijver die zich wreekt op de 'massieve solidariteit van de dommen' schrijft hij: 'Zijn scheppend nihilisme en zijn totale misantropie vormen de kring waarin hij ronddraait.' Zulke eenzelvige karakters, ook die van Alfred en Nummendal in Nooit meer slapen, vindt hij psychologisch zwak getekend, waarbij hij blind lijkt voor het gegeven dat Hermans eerder ideeënromans schreef dan psychologische romans. De botsing tussen de dwangmatige systeembouwer Hermans en de ontvankelijke, onsystematische Morriën is een gevolg van volslagen incompatibilité d'humeur.

Megalomanie, een noodzaak voor veel grote schrijvers, en een hardnekkig pessimisme zijn voor Morriën nauwelijks te verdragen. Ook met die andere stichter van een eigen kerk, Gerard Reve, heeft hij het altijd moeilijk gehad. De kolossale wanhoop die losbarstte na de door hem bewonderde novelle Werther Nieland, begreep hij niet goed en maakte hem vooral kregelig. Hij zag vooral Reve's 'demonstraties van gefrustreerdheid' en zijn stereotiep geworden grapjes.

'Waarom erger ik mij bijna altijd wanneer ik iets van Gerard Reve lees, of wanneer ik hem uit zijn werk hoor voorlezen?', vraagt hij zich in 1985, bijna retorisch af. Hij neemt het Reve kwalijk dat hij zijn brieven 'hoe langer hoe meer voor de galerij is gaan schrijven'. Voor Reve's godsbeeld is hij verbazend ongevoelig . 'Misschien is Reve, denk ik wel eens, voor de grap katholiek geworden, Hij lijkt het zelf te willen bewijzen door de vermelding van Gods mateloze drankzucht.' Dat zulke projecties nu juist de ernst van Reve's geloof bewijzen, ontgaat Morriën. Hij is er in wezen, hoezeer ook gespitst op alle modulaties van het gevoel, te rationeel voor, en te blijmoedig.

Met de luidruchtigheid waarmee de Vijftigers de poëzie binnenstormden, had Morriën eveneens weinig affiniteit. Hij bewonderde Luceberts associatieve en musische vermogen en Kouwenaars koele precisie, maar de aandrift tot de 'beweging', de hoge toon waarop 'de ruimte van het volledige leven' werd opgeëist, was hem vreemd. Ze deden hem te veel aan het bazuingeschal van Kloos denken. In Vinkenoogs geschreeuw over liefde en 'metafysiek' herkent hij de pedanterie van de gezalfde die wil bekeren, 'eigenlijk zo tam en braaf, zo vol oprispingen uit opoes verleden'.

LIEVER IS HEM de poëzie van de dichters die zich ophielden aan de rafelrand van beweging van Vijftig: Hans Lodeizen, Remco Campert, Jan Hanlo, Jan Emmens, Cees Nooteboom. Dichters met een gedempter geluid die slechts een particuliere ruimte opeisten. Over hen schreef hij stukken die tot zijn mooiste behoren. Nootebooms gesloten, 'schijnbaar koele' poëzie, zo verschillend van zijn proza, maakt op hem de indruk 'zonder de gedroomde of vermeende ruggespraak met de lezer' te zijn geschreven. De geraffineerd 'kinderlijke' poëzie van Hanlo intrigeert hem omdat zij wel 'proefondervindelijk' is, maar niet lijdt aan de overdadige beeldspraak die hem bij de Vijftigers zo stoort. In de gedichten van de jong gestorven Lodeizen, met wie hij bevriend was, bewondert hij de bedwongen pathetiek: 'Bij geen andere dichter (. . .) wordt de wanhoop zo melodieus voorgedragen, zonder ook maar een ogenblik vals te klinken.'

Morriën heeft oog voor het eigene van buitenstaanders, zoals Pierre Kemp - in tegenstelling tot Hermans 'een soort kind dat zich nergens hoeft te wreken -, Gerard den Brabander, Leo Vroman, Chr. van Geel, Judith Herzberg en Gerard den Brabander. Hij bleef al die jaren trouw aan zijn oude liefdes - Franz Kafka, Paul Valéry, Paul Léautaud, Joseph Roth - en aan echte vrienden, zoals de Duitse schrijver Hans Werner Richter, die hij kort na de oorlog had leren kennen in de Gruppe '47, een gezelschap van jonge schrijvers die, bij gebrek aan een literair podium, bijeenkwamen om elkaar te kritiseren.

Naarmate de tijd verstrijkt, worden de stukken losser van structuur, lichter van toon en minder doorwrocht. Eenmaal boven de zeventig, en bevrijd van de plichten van huisvader en literair chroniqueur, schrijft Morriën puur voor zijn plezier over literatuur. Alsof het toeval was dat hij de enige dag schreef over een nest jonge vogels in het park, en de andere dag een aanbiddelijk meisje op de tramhalte bespiedde, of een recensie schreef over de opmerkelijke Thomas Rosenboom.

En dat was het natuurlijk ook. Aan het eind van een schrijversleven vallen de dichter die lange tijd droogviel, de criticus die maar niet in zijn rol wilde groeien, de prozaschrijver die het bij aanzetjes laat, op gelukkige wijze samen. In de verbrokkeldheid van dit oeuvre zit de grote charme ervan. In de hardnekkige aarzeling toont Morriën zijn kracht.

Meer over