Liefde als ontsnappingsclausule

IN SOMMIGE families worden de genen met slordige hand verspreid en trekt iedereen het verkeerde lootje. En niemand die de regie op zich neemt bij zoveel verkeerde casting....

In haar dit jaar verschenen roman Love Invents Us, door Paul Syrier doeltreffend vertaald onder de niet zo gelukkige titel Liefde maakt ons, doet Bloom hetzelfde, maar ze beperkt zich tot één hoofdpersoon in één misvormd gezin. Amy Bloom (1953) is psychoanalytica, maar daar merk je gelukkig niks van. Er bestaat geen therapeutische heelmiddel voor wat mensen elkaar aandoen, al is het maar doordat de wandaden zo argeloos en zonder boze opzet worden begaan. En er bestaat ook geen God, de gospelachtige hoofdstuktitels als 'Neem mijn hand', 'Balsem in Gilead' en 'Spaar liefde, vang licht' ten spijt.

In het leven van Elizabeth Taube zijn alle bouwstenen voor een normaal bestaan aanwezig, maar ze worden consequent op het verkeerde moment ingevoegd. Er is een vader, die zijn dochter kreeg bij de verkeerde vrouw en daardoor niets van liefde of vaderschap begreep 'tot het roodgeverfde haar, het grote joodse achterwerk en de brede witte handen van zijn derde vrouw op slag het beste in hem naar boven hadden gebracht'. Er is een moeder, een drukbezette New Yorkse binnenhuisarchitecte, voor wie het kind slechts een 'aspect is in de eindeloze herinrichting van het huis'.

Lizzy voldoet niet aan haar gevoel voor esthetiek, reden waarom de moeder zich zelden tot haar richt: 'Vanuit haar ooghoeken naar me kijkend, zag ze de afgekloven punten van mijn haar, een vettige roze clownsbril, een slechte houding.' Er zijn hartstochtelijke minnaars, maar in hun liefhebbende oudemannenhanden is Lizzy jammer genoeg pas tien en later vijftien jaar. Er is een soort begripvolle oma, een oude dame voor wie ze klusjes doet - maar als de puber Lizzy haar nodig heeft, gaat zij dood. Er is zelfs een grote, eeuwige liefde: Huddie. Door zijn vader weggestuurd toen hij beschikbaar was; niet meer beschikbaar, want getrouwd, toen ze elkaar weer tegenkwamen.

Zo kan het gaan. Bloom heft over een dergelijke som van misverstanden geen jammerklacht aan en trekt haar verhaal evenmin in het komische, hoewel de kansen daartoe voor het oprapen liggen. Zij noteert, nu weer eens in de ik-vorm, dan weer in de observerende, derde persoon. Zorgvuldig en onaangedaan, de opgeroepen emotie aan de lezer latend. Bij iedere ongerijmde liefde wordt Lizzy opnieuw geboren, en sterft ze. Tot zij het ten slotte zelf af kan.

Als zij tien is, mollig en gepest op school, groeit ze onder de blik van meneer Klein, eenzame bonthandelaar, tot een wulpse schoonheid. Dat zij zich daarvoor eerst tot op haar ondergoed moet uitkleden, en daarna de duurste chocolaatjes krijgt, is helemaal niet raar. 'Meneer Klein overhandigde me een kleine minkjas en zette een minkbaret op mijn vieze haar. (. . .) Het bont aaide tegen mijn kin en zonder mijn bril (. . .) voelde ik me betoverend Russisch. Hij zette de baret ietsje scheef en deed een stap achteruit, waarna hij me, op mijn blote voeten en in mijn mink, vol bewondering bekeek.' Helaas ziet meneer Klein zich genoodzaakt met verstikte stem hun laatste ontmoeting aan te kondigen. Hij heeft een ander werkrooster, en dan is er nog mevrouw Klein.

Vijf jaar later is er meneer Stone. Leraar Engels op haar middelbare school. Max zonder kleren. Lizzy laat hem haar gedichten lezen en vermoedt niet welke Lolita-gevoelige snaren ze in de man beroert. Als Max en zijn vrouw 's avonds uitgaan, past ze op zijn drie kinderen, overdag laat ze zich in de lerarenkamer wijsmaken dat ze zijn toekomstige vrouw is. 'Ik zag hem op me afkomen, die harige, visachtige opening, en ik deed mijn ogen dicht. Het gevoel dat zijn mond me bezorgde was niet afschuwelijk - een zacht badje whiskey van zijn tong, zijn lippen twee gladde drukkende staven. 'Als je nee moet zeggen, zeg dan nee, zei hij. Hij was zenuwachtig. Ik zei niets. Wat zou dat nee me opleveren?'

Lizzy zegt pas nee als er een ander opduikt, tegen wie ze volmondig ja kan zeggen. Huddie is zeventien, lang, zwart, basketballer en hij zal altijd de enige blijven. 'Huddie's penis was dom, maar Huddie zelf zeker niet. (. . .) Om Huddie en zijn kleine vriend af te leiden, leerde ik fiedelen en strijken als was ik de Perlman der penissen; ik kon Huddie in iedere houding in een oogwenk tot een orgasme likken, krabbelen of neuriën.'

Op een dag heeft afleiden geen zin meer en is Lizzy zwanger. In het huis van juffrouw Hill, de goeiige zwarte oude vrouw die van haar houdt en tussen wier prettig smakeloze meubilair ze zich op haar gemak voelt, worden Lizzy en Huddie vader en moeder van een vruchtje dat in een bloederige plas in de badkamer drijft.

Huddie wordt verbannen naar Mars, Alabama. De verantwoordelijke oom onderschept zijn smachtende brieven. En juffrouw Hill gaat dood. 'Soms maakt God een fout. Gewoon zorgeloosheid. Hij kijkt niet op de kalender. Als Hij wel gekeken had, had Hij gezien dat Elizabeth te veel verliezen in haar agenda had staan. (. . .) En ook al bestond er een enorme Winnie-de-Poeh-crèche voor alle dode baby-engelen van God, wat moest er van juffrouw Hill worden?'

Elizabeth studeert, neemt een baantje in een boekhandel en zit op haar vervuilde flat breeduit depressief te wezen. Peter, haar baas, is verliefd op haar, maar het komt niet tot een afspraakje. 'Het enige dat ze elkaar boden was respect voor elkaars verbijsterende neerslachtigheid.' Intussen brengt de post steeds radelozer brieven van Max. Hij is ziek, gescheiden, zijn zoon is doodgereden en hij wil Elizabeth nog altijd terug. Vol wroeging stapt zij in haar auto en trekt bij Max in om hem op zijn sterfbed te verzorgen. In hun oude woonplaats duikt Huddie weer op, delicatessenhandelaar, vader en ongelukkig getrouwd met een zwarte matrone. Ze beginnen een verhouding op goedkope motelkamers, begraven Max en gaan tegen beter weten in weer uit elkaar.

Lizzy's leven is een soap van de slechtste soort en niettemin zo echt als een eikenboom. Dat is de kracht van dit verbluffend directe proza. Bloom schaamt zich nergens voor, acht geen detail te futiel en heeft geen enkel literair decorum hoog te houden. Geen smaakvolle metaforen, geen fijnzinnige analyses. In de kamer waar de zieke Max ligt, ruikt het gewoon 'alsof de dood door het plafond sijpelde'. Waarom zou je het anders zeggen? Het is deze nuchterheid die de schrijfster op haar personage overdraagt, die maakt dat de rampspoed uiteindelijk plaats maakt voor optimisme. Bloom krijgt het voor elkaar dat we na tweehonderd pagina's mislukt leven alle vertrouwen herwonnen hebben.

De 40-jarige, slonzige, arme ongehuwde moeder in een suf rijtjeshuis die Elizabeth is aan het eind van de roman, is een evenwichtig persoon. Onthecht en ambitieloos, gelukkig bijna. De dik geworden, nog altijd getrouwde Huddie komt zijn oude vriendin en haar zoontje na vijftien jaar weer eens opzoeken. Elizabeth beziet zichzelf tijdens dit bezoek zoals ze, in het beste geval, door Huddie wordt waargenomen: 'Een verstandige, literaire vrouw met een beperkt inkomen, een toegewijde moeder die heeft gekozen voor tijd met haar kind boven vooruitgang op haar vakgebied en voor een veilige buurt boven iets populairs. Zie dat alsjeblieft.' En Huddie beziet haar: 'Elizabeth buigt haar knieën maar een heel klein eindje en haar achterste steekt uit, heupen laag en breed, haar middel dat om zijn handen schreeuwt, haar kont die zich aan hem opdringt in die oude spijkerbroek met witte, opgerekte naden, en Huddie bedenkt dat dit de reden is dat hij zo lang heeft geleefd.' Niet dat het nu alsnog goed komt tussen die twee, maar het geeft niet meer.

'De grootste ervan is liefde' is de bijbelse titel van dit laatste hoofdstuk. Bloom dicteert dat we ons daar nu maar eens zonder ironie aan moeten vastklampen. Liefde is de ontsnappingsclausule, zelfs bij een bizar ongelukkig levenslot.

Aleid Truijens

Amy Bloom: Liefde maakt ons.

Vertaald uit het Engels door Paul Syrier.

Nijgh & Van Ditmar; 203 pagina's; ¿ 34,90.

ISBN 90 388 0293 5.

Meer over