Lezer, toon begrip voor de afwezige, stille schrijver

Wie tot een ander spreekt, behoort die ander aan te kijken. Maar deze wellevendheid geldt niet voor een auteur, vindt P.F....

Een tijdje geleden spraken de kranten er schande van dat Bill Gates zijnjongste innovatie presenteerde met zijn rug naar het publiek.

Het betrof hier een zogeheten powerpoint-presentatie, waarbij desoftware-tycoon op een gigantisch scherm zijn inzichten uitvergrootte enhij de genodigden als het ware over zijn schouder liet meekijken. Devertoning werd door de pers opgevat als een vorm van excentriciteit die derijkste man ter wereld zich kennelijk meende te mogen permitteren - eenrariteit waar een journalist zich, zoals elk gewoon mens, vanzelfsprekendverre van hield.

Met je rug, in feite met je kont naar het publiek gekeerd, was dat geengrofheid, geen belediging? Het gelaat afgewend, getuigde dat niet vandédain jegens het publiek dat men juist zou moeten dienen? Men hoortdegene aan te kijken tot wie men zich richt, zo hadden de journalisten hetthuis van hun moeder geleerd en zo leerden zij het nu hun lezers.

Ook ik heb zulks thuis van mijn moeder geleerd.

Toch, moet ik bekennen, zou ik het liefst net als Bill Gates met mijnrug naar u toe gaan staan.

Waarom?, zult u nu denken. Wat hebben wij deze man misdaan dat hij onsniet wenst aan te zien? Wat verbeeldt hij zich trouwens dat hij ons niethoeft aan te zien?

Dit brengt mij op de vraag: tot wie richt de schrijver zich eigenlijk?'Tot de lezer!' zult u misschien willen uitroepen, 'tot mij bijvoorbeeld.'

Maar zo eenvoudig zit dat niet.

Als de schrijver zit te schrijven, met gebogen rug, peinzend boven zijnpapier of toetsenbord, dan is dat niet een houding die je meteencommunicatief zou willen noemen. Het lijkt er eerder op dat hij zich metzijn houding afschermt. Het is dan ook moeilijk voor te stellen datiedereen bij hem in zijn werkvertrek zou kunnen binnenstappen, menende datwat er daar geschreven wordt speciaal tot hem is gericht en dat hij, alslezer, als aangesprokene, derhalve gerechtigd is stante pede te reageren.

Het enige voorbeeld dat mij à propos te binnen schiet van zo'ndrukbezochte werkkamer, is die van Boontje zoals die beschreven staat inde onvolprezen Vlaamse klassieker De Kapellekensbaan, waar Louis Paul Boonsalter ego zijn oneindige verhaal over al wat er gebeurt op deKapellekensbaan van tjaar 1800-en-zoveel tot vandaag aan toe alsmaaronderbroken ziet door rare figuren als de dichter en dagbladschrijver johanjanssens, de kantieke schoomeester, de schilderes tippetotje en mossieucolson van tministerie. De een vindt dat het verhaal zus, de ander dat hetzo moet worden verteld, en ondertussen zoekt iedereen in Boontjes alsmaaronaffe verhaal - als in een spiegel - vooral en vooreerst zijn eigenverhaal.

Het zal duidelijk zijn dat al deze figuren geen lezers zijn maarpersonages. Zelfs de schrijver waarvan hier sprake is, is een personage.De schrijver die dit alles ondertussen schrijft, die ziet men niet. Hijheet Louis Paul Boon en hij is overigens al 27 jaar dood, maar dat maaktvoor het boek geen verschil.

Een schrijver bestaat zolang het boek niet bestaat. Als het geschrevenis, heeft hij geen functie meer.

Maar zolang hij schrijft, bestaat hij, de schrijver. Hij bestaat involstrekte afzondering, terwijl hij zich ten overvloede ook nog eens overzijn werk heenbuigt om het extra af te schermen. Hij schrijft, kun je ervanzeggen, maar voor wie?

Tot wie richt hij zich?

In historische tijden adresseerde de auteur zich tot een hooggeplaatste,bij wie hij goedgunstigheid afsmeekte.

Zo droeg Cervantes zijn Don Quichot op aan de Hertog van Bejar, tevensmarkies van Gibraléon, graaf van Benalcázar en Bañares, burggraaf vanAlcocer, heer van Capilla, Curiel en Burguillos, wie kent hem niet, dezealmachtige eendagsvlieg die door Cervantes wordt geprezen 'als vorst zeergenegen de schone kunsten te begunstigen, vooral als ze krachtens hunadeldom niet zwichten voor hand-en spandiensten aan het grote publiek'.

Een dergelijke opdracht is in feite een verzoek om protectie, wezenlijkniet anders dan de aanvraag voor een werkbeurs bij het Fonds voor deLetteren.

Met het schrijven zelf heeft zo'n nobele financiële begunstigeruiteindelijk even weinig van doen als de timmerman die de tafelvervaardigde waaraan wordt gewerkt of de gans met wiens vleugelveren al diefolianten zijn volgeschreven.

Nee, de persoon van de broodheer is niet degene om wie het draait. Alszo'n figuur ter plekke dood zou neervallen en per legaat zou doorbetalen,kan dat een schrijver geen cent schelen.

Evenmin lijkt het mij waarschijnlijk dat al die dichtbundels en romansdie trouwhartig worden opgedragen aan vaders, moeders, zorgzameechtgenotes, geliefden, kinderen, broers, zusters ook werkelijk tot dezedierbaren zijn gericht. Zulke opdrachten ontstaan achteraf, uitschuldgevoel meestal, omdat de schrijver al die lange jaren dat hij zichopsloot in zijn werkvertrek niet of althans veel te weinig naar zijnnaasten heeft omgekeken en achteraf, via zo'n 'eervolle' opdracht, iets vanzijn verzuim probeert te repareren.

Maar waarom zou een schrijver per se aan een ander moeten denken? Waaromga ik er hier van uit dat het schrijven een bepaalde bestemming moethebben?

Waarschijnlijk om het een maatschappelijke betekenis te geven, eensociaal alibi.

Terwijl mijn eigen ervaring een geheel andere is. Geen aanwezigheid maarjuist afwezigheid. Je voelt je, voorafgaande aan het schrijven, langzaamleeg worden, wegglijden in een soort halfslaap. Even niemand zijn.

Zoals wanneer je op een vaste plek in het bos zit, wachtend op dedieren. Stiller en stiller word je, je verdwijnt als het ware. En dan komenze tevoorschijn.

Zo zit ik achter mijn beeldscherm. Stiller en stiller wordt het in mijnhoofd. En daar komen ze, de woorden, de zinnen, de contrasten, deovereenkomsten, de beelden, de situaties, ik noteer alleen, ik zit ze nietin de weg met meningen en opvattingen, ik laat ze hun gang gaan.

De stilte waarin geschreven wordt, is niet wezenlijk anders dan destilte waarin gelezen wordt. De lezer, die zich met het boek heeftteruggetrokken, voelt zich langzaam wegglijden in een soort afwezigheid.Even niemand zijn. En daar komen ze, de woorden, de zinnen, de situaties,hij laat het gebeuren, de lezer, hij grijpt niet in, hij laat ze hun ganggaan. Pagina 15: Reportage over Winternachten

Meer over