Lezen om terug te praten

In haar nieuwe roman, Casino, leidt Marja Brouwers ons binnen in de wereld van de veelverdieners, die in het afgelopen decennium zo spraakmakend en zichtbaar zijn geworden, de mannen van de 'exorbitante zelfverrijking' over wie toenmalig minister-president Wim Kok met zoveel afschuw sprak. De criticus van toen is inmiddels zelf, tegen een pittige vergoeding, als commissaris betrokken bij een hele reeks ondernemingen, het decennium is, waar het om de jaartallen gaat, afgesloten, maar de geest die Brouwers beschrijft en de zeden waartoe die geest en die ondernemingslust hebben geleid zijn springlevend. Zelfs wie maar sporadisch een krant leest weet meteen waar zij het over heeft.

Levenslustige mannen met een hang naar reizen en avontuur, of dat nu grote of kleine avonturen zijn, en een montere nonchalance als het om de gevolgen van al die ondernemingszin gaat. Een van haar helden is een ronduit criminele botenbouwer, zeezeiler en groothandelaar in cocaïne, maar die verbijzondering doet niets af aan de algemene geldigheid van het fenomeen dat Brouwers in kaart probeert te brengen.

Het waren immers de schandalen bij op het oog vertrouwenwekkende firma's - een vaderlandse kruidenier, een Italiaanse melkboer - die aan het licht hebben gebracht dat het met die vrijmoedige ondernemingszin helemaal niet gaat om randfiguren, doorgewinterde criminelen die hun kansen zoeken, maar om ogenschijnlijk degelijke burgers die hun kansen grijpen. Brouwers' held is een Hollandse jongen die in veruit de meeste milieus welkom zou zijn geweest.

Nederland lijkt soms wel gedomineerd te worden door dergelijke koopmannen-nieuwe-stijl, of in elk geval lijkt de publieke ruimte door hen te zijn overgenomen. Zij vormen de nieuwe maatschappelijke elite. Dat de LPF hun tijdelijk een politiek tehuis heeft geboden en dat ze zich zo nadrukkelijk in de media manifesteren, is eigenlijk maar bijzaak. Waar het om gaat is dat ze schaamteloos hun gang gaan, én dat dat wordt geaccepteerd, ja, in een aantal gevallen zelfs aangemoedigd.

Dat maakt hun optreden tot een manifestatie van een dieper liggende verandering. Het is die verandering die tot een regeringsinitiatief voor een discussie over normen en waarden en een Kamerdebat over 'Nederland-fraudeland' inspireerde. Achter het dagelijks zichtbare tableau vivant van een ondernemingszin die zich nergens meer wat van aantrekt en tamelijk ongestoord te werk kan gaan, bevindt zich een historische ontwikkeling. Dat is de beweging die een enorme ruimte heeft geschapen voor mannen als Brouwers' held, feitelijk, maar evenzeer moreel en juridisch. Je zou het de demoralisering van de publieke ruimte en de publieke moraal kunnen noemen.

Wie er, met enig historisch besef, althans met kennis van de longue durée van de Nederlandse geschiedenis naar kijkt, weet niet goed wat hij ziet. Altijd een land van koopmannen én dominees geweest, tot in het tijdperk van de ontkerkelijking en secularisatie toe - maar waar zijn de dominees van weleer gebleven, waar de behoefte om handelingen op hun consequenties, op hun morele effect te beoordelen of ten minste te bespreken?

Het is die wonderlijke transformatie die Marja Brouwers diepgaand interesseert. Nog maar op eenzesde van haar roman, en nog maar nauwelijks thuis in het milieu van de snelle auto's, het achteloos in de broekband gestoken pistool en de onuitputtelijke stapel bankbiljetten in het borstzakje, wordt haar lezer getrakteerd op een intense beschouwing over de hoofdzonden.

Dat is een stuk dat de moeite waard is gelezen en herlezen te worden, want Brouwers maak je niet wijs dat het met die hoofdzonden gedaan is nu de deconfessionalisering haar beslag heeft gekregen. Zij let op de lange lijnen van de geschiedenis, en behalve dat die geschiedenis haar woede opwekt, interesseert de ontwikkeling ervan haar ook. Haar roman is daardoor geen waardenvrije zedenschets, maar een analyse en beoordeling ineen. Het boek valt niet te lezen zonder de handschoen die zij de lezer toewerpt, op te nemen. Lezen is een standpunt kiezen, is nadenken over de fenomenen die zij beschrijft, de vragen die zij oproept - liefst terugpraten.

En wat is dat een verademing, een roman lezen die daartoe uitnodigt, een roman die zich verdiept in de Zeitgeschichte, met al haar ingewikkeldheid en onbeslistheid, een roman voor volwassenen, kortom, die de wereld serieus neemt en tegemoettreedt. Meteen wint de literatuur aan gewicht en zeggingskracht. De kluisters van het louter op zichzelf betrokken zijn worden verbroken.

Nu kan op iedere roman iets worden teruggezegd, maar op lang niet iedere roman hoeft iets te worden teruggezegd. Hoe goed een literair werk ook geschreven is en hoe slim ook bedacht, er is altijd iets op af te dingen. In de spanning tussen enerzijds het met instemming en bewondering lezen wat de schrijver verzon en in zijn getalenteerdheid tot taal maakte, en anderzijds die behoefte iets terug te zeggen, zit het plezier dat we aan een boek beleven. Want naast een esthetisch genoegen kan de roman ook een ethisch en intellectueel genoegen verschaffen doordat hij als laboratorium van de geest functioneert, als vrijplaats van het denken. De ruimte die de roman daarvoor heeft, is enorm: anders dan in wetenschappelijke beschouwingen of zelfs in essays of columns staan de romans alle wegen en alle middelen open.

Alles mag, zolang het maar goed gedaan wordt en voldoet aan de eisen die de schrijver zichzelf kennelijk al schrijvend oplegt. Maar na een periode van uitzonderlijk geringe ambities in de literatuur en een smal wereldbeeld begroet je de ambitie om door te dringen in de werkelijkheid die we allemaal beleven, met extra opluchting.

Alles mag, jawel, maar dat betekent nog niet dat alles ook altijd gedaan wordt. Ook de literatuur kent modes, modes die bewust of onbewust eisen dicteren en daardoor grenzen stellen. In de jaren negentig was het de geest van het postmodernisme die over de literatuur vaardig was geworden, en dat leverde een bepaald type literatuur op, literatuur met haar zelf verkozen beperkingen. De karakteristieke postmoderne roman was 'zelf-reflexief', dat wil zeggen: maakte zich tot spreekbuis van de grote twijfel over het genre, een twijfel die in dat tijdvak van haast cynische relativering van nagenoeg alles, de bloeitijd van het cultuurrelativisme, zelfs zichzelf in twijfel trok. De postmoderne roman is een roman over de roman en het schrijven; veelal begint die met een schrijver die zichzelf voor de taak gesteld ziet een roman te gaan schrijven. Het procédé is bekend.

Daar kunnen prachtige boeken uit ontstaan, maar de thematiek van het genre kent zo haar beperkingen. De typisch Nederlandse ontwikkelingsroman, een duurzaam genre, ging er mettertijd steeds dichter tegenaan schurken. Dat is het boek over een gevoelig, gekwetst jongetje dat, liefst tijdens zijn puberteit, wordt geconfronteerd met de grote vragen rond zijn identiteit, de twijfels over zijn herkomst en bestemming. De held van dat boek aarzelt tussen zijn solide, veelal burgerlijke achtergrond en het wenkende kunstenaarschap, tussen zijn seksuele mogelijkheden en voorkeuren, tussen zijn gevoeligheid en de harde eisen van het volwassen leven. De erin behandelde vraag naar de identiteit werd geleidelijk aan een subvraag van het postmodernisme: geen enkele identiteit telt meer, een identiteit is niet doorslaggevend, en we kunnen schakelen van de ene identiteit naar de andere omdat er immers nergens meer een centrum is.

De roman van Marja Brouwers markeert een voorlopig einde aan die mode en wellicht de terugkeer naar de andere mogelijkheden van het genre, namelijk de mogelijkheid om na te denken over de tijd en de geschiedenis, over de maatschappelijke, mentale en morele omgeving waarvan schrijver en lezer beiden deel uitmaken. Dat is een bevrijding, en het is winst, dus kan het belang ervan niet genoeg worden onderstreept.

Het belang van Brouwers' boek is temeer zo groot omdat het niet op zichzelf staat: verleden jaar verschenen er romans van Herman Franke (Wolfstonen), Orhan Pamuk (Sneeuw), Jens Christian Grøndahl (Veranderend Licht) en, iets eerder, Robert Menasse (De verdrijving uit de hel) die een vergelijkbare ambitie of - ten minste - belangstelling demonstreerden. Op nog iets grotere afstand valt te denken aan het werk van Michel Houellebecq, die de teloorgang en pervertering van de idealen van de soixanthuitards tot zijn onderwerp maakte.

Het is alsof de ondergang van het cultuurrelativisme in zijn orthodoxe variant ook de onhoudbaarheid van het kokette postmodernisme heeft bewerkstelligd, en alsof dat weer ruimte heeft geschapen voor het soort romanliteratuur waartoe al deze boeken behoren. Die ruimte moet meteen worden benut, want dat komt de literatuur ten goede, en het denken over literatuur en werkelijkheid evenzeer.

Natuurlijk, geëngageerde schrijvers en romans zijn er altijd geweest, maar wie deze boeken vergelijkt met de typische producten van het vrolijke en chaotische engagement van enkele decennia terug, dat zich ook in de literatuur uitte, ziet zúlke belangrijke verschillen, dat het onjuist zou zijn te spreken van een herleving van het engagement. Hetzelfde geldt voor de roman die probeerde een iets verderaf gelegen historische episode met behulp van de verbeelding tot leven te roepen en te duiden. Ook dergelijke boeken zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn. Nee, het gaat erom dat deze romans niet onverplichtend zijn waar het de waardering van de levende geschiedenis betreft, van de omgeving waarin ze zijn ontstaan en worden gelezen. Het zijn boeken die substantiële twijfel zaaien.

Dat kan goed worden gedaan en het kan slecht worden gedaan, zoals alles in de literatuur; het kan overtuigend zijn of afstotend, uitnodigend of dwingend. In ieder genre is het de kunstenaar die wint. Het zijn ook geen antwoorden die al deze auteurs bieden: de literatuur cultiveert een ambiguïteit die de politiek noch de journalistiek zich kan veroorloven. Dat is terecht, want het gaat om de kracht van de verbeelding; het is immers juist die verbeeldingskracht die uitnodigt tot nadenken en terugpraten.

In Sneeuw stelt de Turkse schrijver Orhan Pamuk de kwestie van de hoofddoekjes aan de orde. Die kwestie speelt in alle West-Europese landen met een grote en groeiende moslimgemeenschap hoog op, en is in menig opzicht onbeslisbaar. Wie er niet direct bij betrokken is, kent de twijfels, de voors en de tegens en dus de onbeslisbaarheid - de vermoeidheid die je overvalt bij het eindeloos horen herhalen van de argumenten, de weerzin tegen al die ferm uitgesproken standpunten. Die vermoeidheid en die weerzin maken deel uit van ons mentale klimaat, en naarmate dat nadrukkelijker wordt, wordt het lastiger er onbevangen en kritisch over na te denken.

De kracht van Pamuks roman is dat dat nadenken daarin wél plaatsvindt, niet in de algemene termen van een debat, maar in de bijzondere situatie van individuele mensen met eigen opvattingen en ervaringen. De schrijver is een wereld binnengetreden waar wij gewoonlijk van een afstand naar kijken. Hij kijkt en onderzoekt - en stelt zijn oordeel uit. Op die manier wijdt hij zijn lezers in in de ambiguïteit van een maatschappelijk vraagstuk. Dat is dan allang geen maatschappelijk vraagstuk meer, maar een persoonlijk drama. Dat verandert de zakelijke argumenten niet, het levert ook zeker geen aanbevelingen op - de dichter kan een denker zijn, maar hoeft geen doener te worden -, maar het schept wel een aantrekkelijke ruimte voor het denken.

Terwijl Houellebecq in zijn romans op aanstekelijk spottende toon afrekent met de generatie van '68, maakt Grøndahl er in Veranderend Licht werk van om de ontwikkeling van haar idealen en de onzekerheden waartoe ze hebben geleid, zichtbaar en invoelbaar te maken. Hij verplaatst zich in twijfels, angsten en verlangens, en door dat met zoveel talent, scherpzinnigheid en empathie te doen, brengt hij hun morele en emotionele verwarring dichterbij, zonder met een oordeel te komen. Dat is immers aan de lezer.

De Oostenrijker Menasse stelde in zijn De verdrijving uit de hel het mechaniek aan de orde waarmee de geschiedenis de moraal van haar onderdanen tegelijkertijd ironiseert en perverteert. Hij is de meest ambitieuze van deze kleine reeks voorbeelden doordat hij om zijn streven te versterken twee historische episoden koos, die van het Amsterdams-Portugese jodendom uit de 17de eeuw en die van het Russische communisme en zijn West-Europese volgelingen uit de 20ste eeuw. Hij probeerde te laten zien hoe ideologieën werken wanneer ze modes worden.

De roman als instrument om na te denken over contemporaine culturele, historische en maatschappelijke ontwikkelingen is van alle tijden. In de Amerikaanse literatuur is ze altijd aanwezig geweest: schrijvers als Tom Wolfe, Philip Roth, John Updike en Don Delillo hebben in hun boeken nooit anders gedaan. In die continuïteit en consistentie zal stellig de jeugd van de Amerikaanse geschiedenis en romanliteratuur een belangrijke rol hebben gespeeld. Er is eenvoudig meer om te duiden, en er is meer ruimte om dat te doen.

In de Europese en dus ook in de Nederlandse literatuur gaat het niet om een nieuwe uitvinding, maar om de herintrede van een oud genre in een nieuwe gedaante. Absoluut of alleszaligmakend is die niet en zal ze ook nooit worden. Wel verschaft ze, na een periode van intense zelfgenoegzaamheid en daarmee gepaard gaande marginaliteit, de literatuur ineens een stem die ook buiten de muren van het leeskamertje gehoord zal worden. Die stem verdient bijval.

Meer over