Levensverhaal arbeider is 'bijna Beckett-achtig'

Vanavond gaat Kingkorn of Zogezegd en alles van theatergroep Hollandia in première. Acteur Bert Luppes speelt een arbeider in een meelfabriek....

Van onze verslaggeefster

Judith Koelemeijer

LEIDEN

Hollandia-acteur Bert Luppes kon lange tijd niet geloven dat Sam Kukler 48 jaar lang écht met plezier heeft gewerkt in de Leidse Meelfabriek de Sleutels. Sam Kukler vertelde dat zijn mooiste jaren die 'op de wagen' waren. 's Morgens om half zes 330 balen meel van vijftig kilo in zijn vrachtwagen laden, 'een bakkie doen' bij het café om de hoek en dan naar de bakkers in de provincie, met de zak op de schouder de smalle trappen op naar de meelzolder. En echt, nooit met tegenzin naar zijn werk gegaan, nooit rugpijn gehad. Luppes kon het zich niet voorstellen. 'Als Sam zei dat hij gelukkig was, dacht ik: waarom?'

En nu, op de ochtend voor de eerste try-out van Kingkorn of zogezegd en alles, een monoloog van Luppes gebaseerd op Sams levensverhaal, klinkt er nog steeds ongeloof in zijn stem: 'Vijftig kilo is toch ongelooflijk zwaar Sam? Ik kan 25 kilo al amper tillen.' Maar Sam, aan de andere kant van de tafel in de fabriekskantine, verzekert hem dat het 'gewoon even een slag is die je te pakken moet hebben'. Hij 'houdt graag van zijn werk', zegt hij nogmaals. Ook al staat de fabriek al bijna tien jaar grotendeels leeg en is hij nu, als toezichthouder, 'alenig' in het immense gebouw waarvan niemand weet wat ermee moet gebeuren. Hij gaat niet 'op zijn gat zitten'. Er valt altijd wel wat te 'corveeën'. De ramen zemen, de toiletten doen, hij is elke dag lekker bezig, echt waar.

Het heeft even geduurd, maar Luppes weet het nu zeker: voor Sam zijn de dingen wat ze zijn. 'Dat heeft me het meest getroffen in zijn verhaal, zijn enorme eerlijkheid. Je hoeft er niks achter te zoeken.' Zoals Sams alterego, Bram, in de monoloog zegt: 'Kijk dit gaat de grond in en dat gaat de lucht in en zo is het en niet anders, en aan het eind begint toch de tragedie.'

Het is die 'andere' mentaliteit die Luppes wil laten zien op het toneel - in dit geval de zolder van de voormalige Universiteitsbibliotheek in Leiden, omdat de baas van de meelfabriek Hollandia niet in zijn pand wilde hebben. Luppes wil het arbeidersleven niet romantiseren, noch er een karikatuur van maken. Zijn monoloog moet een 'monument voor de laatste der Mohicanen worden', zegt hij. 'Het is een blik op een arbeiderssoort die uitsterft.' Sam Kukler knikt: mensen zoals hij, die krijg je niet meer. 'Als je jongens van nu in een schuit zet, gaan ze met hun handen in hun zakken staan. Maar die schuit moet wel in een half uur leeg.'

Luppes' troef is de taal. De monoloog is gebaseerd op een aantal interviews met Kukler van Lex Bohlmeijer, die vervolgens door Eric de Volder werden bewerkt tot een monoloog. Floor Huygen deed de regie. Sams onnavolgbare taalgebruik werd vrijwel letterlijk overgenomen: 'Toen die schuiten allemaal eh binnenkwamen zogezegd die eh dan werd dat de werd boten natuurlijk allemaal eh gelajen zogezegd en alles.' Luppes heeft nog nooit zoveel moeite gehad een tekst uit zijn hoofd te leren, zegt hij. 'Ik heb zelfs overwogen het verhaal helemaal voor te lezen. Zijn taal is zo eigen, zo persoonlijk, met al die herhalingen en versprekingen. Ik werd er helemaal gek van.'

Niet dat hij Sam wil imiteren, dat moet duidelijk zijn. 'Sam is de inspiratiebron, ik speel iemand anders, het is wel toneel.' Om plat realisme te voorkomen, vergroot hij elementen van Sams taalgebruik uit: 'Ik speel met de herhalingen, en vooral met stiltes. Bijna Beckett-achtig, zo miniem is het. Als je met Sam praat, kan hij zeggen: ''Dit zijn de 75 silo's.'' Meer niet. Hij gaat ervan uit dat je de rest wel snapt. Zo gaat het ook in de voorstelling vooral om de dingen die níet worden gezegd.'

Het publiek krijgt, als het goed is, op die manier de positie van de interviewer die Bohlmeijer zelf was. Luppes: 'De toeschouwer komt bij mij op bezoek, en wil iets van me weten. Hij vraagt zich steeds af: komt er nog wat, is dit het, of zit er meer achter? Dat is de spanning die ik hoop op te roepen.'

Bij zijn weten werd er niet eerder in het theater zó direct met 'levend materiaal' gewerkt. Natuurlijk zijn levensverhalen vaker uitgangspunt geweest, maar zelden zo direct als nu het geval is. Het is een logische consequentie van Hollandia's werkwijze, zegt hij: 'Als je altijd theater op locatie maakt, ga je uiteindelijk de mensen die daar rondlopen ook als materiaal zien.'

Sam zelf vindt het allemaal best, zegt hij 's ochtends in de kantine. Hij is nog nooit in het theater geweest, hij houdt er ook absoluut niet van, maar vanaf het moment dat hij werd benaderd door een medewerkster van Leiden Cultuurstad, die hem weer in contact bracht met Hollandia, heeft hij het 'heel interessant en leuk' gevonden.

'Je komt toch wel kijken', vraagt Luppes. Sam heeft het nog niet gepland, maar als ook zijn vrouw binnenkomt wordt besloten dat de première, vanavond,een goede gelegenheid is. Luppes vindt het spannend, zegt hij. 'Misschien had ik gewoon Sam moeten heten, maar als hij hoort dat het Bram is, beseft hij misschien dat het om iemand anders gaat.'

Uiteindelijk zijn mijnheer en mevrouw Kukler er woensdagavond al - op zaterdag kunnen ze niet. Bert Luppes speelt de monoloog op de zolder van het pand. Een kale ruimte, met zeepsop en dweilen op de vloer, een laddertje voor het dakraam, een leeg aquarium in de hoek, en onafgebroken radiomuziek op de achtergrond.

Aan tafel zit Bram, in werkkleding, en vertelt over de fabriek en hemzelf. Hij praat over pijpen en silo's en hoe hij de boel hier nakijkt, dat er 'niks is en zo en alles'. Over zijn jaren op de auto, en over een verongelukte collega die er 'helemaal tussenin zat', tussen de machine dus, en hoe erg dat was. Hij herinnert zich de sluiting van de fabriek, heel 'triestig', maar ook hoe leuk het was om een half baaltje meel over iemand heen te kiepen, nee hij had 'nooit geen mankementen' met de mensen. Hij mijmert over de vakantie in Spanje, hoe hij terugkwam als een roetmop zo bruin, maar ja, 'je loopt altijd haast in je korte broek daar'.

Het knappe is dat dit op papier misschien flauw klinkt, maar het op toneel volstrekt niet is. Daarvoor werkt de taal te vervreemdend, en zit Luppes met een te grote vanzelfsprekendheid en eerlijkheid op het toneel. Hij hoeft niets uit te leggen, niets te bewijzen; hij zit daar, kijkt het publiek met grote ogen aan en vraagt: 'Dus eh wat willen jullie allemaal van me weten hè.' Waarna een lange stilte volgt, en hij zegt: 'Ja da's een aquarium geweest, daar hebben van die vissies ingezeten.' Het publiek lacht veel, en toch is het geen komedie. Bram wil je namelijk niet aan het lachen maken. Hij vertelt zijn verhaal, zwijgt wanneer hij niks te zeggen heeft, en daar moeten we het maar mee doen.

Sam Kukler heeft het prachtig gevonden, zegt hij na afloop. 'Het was de waarheid, alles klopte als een bus.' Wat hem echt is bijgebleven? 'De verhalen over het schoonmaken, want zo gaat het echt.' En de passage over de verongelukte jongen, ja die ook. Dat was heel erg.'

Kingkorn of Zogezegd en alles. Voormalige Universiteitsbibliotheek, Rapenburg 70-74 Leiden, t/m met 1 juni. Reserveren: 075-6310231.

Meer over