Leve het Parijs van de Lullentrekkersstraat

In Parijs – De verborgen geschiedenis verdiept de Engelsman Andrew Hussey zich met animo in de rauwe, vrijgevochten kanten van de Franse cultuur....

Ariejan Korteweg

Het kan lastig zijn als je een afspraak in een café hebt met iemand wiens voorkomen je niet kent. Maar in dit geval moet het lukken. Schrijver en journalist, dat herkent elkaar altijd. Terwijl zich buiten op het terras een puffende Britse voetbalsupporter in vrijetijdskleding nestelt, komen in café La Liberté in Montparnasse wel vier potentiële auteurs van een standaardwerk over Parijs hun ochtendkoffie drinken. Vier zo op het oog erudiete kenners van de stad, met een binnenkleurtje en een kreukelcolbert, die graag ter wille zouden willen zijn, maar bij navraag geen van allen Hussey blijken te heten. Want die zit, in spijkerbroek en polo, op het terras en zegt: ‘Sorry, ik had even naar binnen moeten lopen.’

We kunnen rustig op het terras praten, zegt Hussey, terwijl hij met een mengeling van voldoening en misprijzen het weinig bedrijvige pleintje in ogenschouw neemt. Hij wijst op de ruim tweehonderd meter hoge Tour Montparnasse, die het straatbeeld overschaduwt. ‘Hier, de enige echte wolkenkrabber binnen de péri-pherique. Dat kun je toch geen metropool noemen.’

Wat het dan wel is? In elk geval genoeg om een vuistdik boek mee te vullen. Parijs – De verborgen geschiedenis gaat niet over de materiële kant van de stad: de gebouwen en pleinen en monumenten zijn hier van ondergeschikt belang. De hoofdrol is voor de Parijzenaars. En dan vooral voor die dwarse, tegendraadse, sarcastische, vrijgevochten types die het door de eeuwen heen de boven hen gestelden zo moeilijk hebben gemaakt. In daad, met een schier eindeloze reeks opstanden. En in woord, met een parade van schrijvers, filosofen, politici en revolutionairen, die de conformisten wereldwijd stof tot nadenken gaven. Parijs als de hoofdstad van het tegendenken.

Het bleef niet bij denken alleen. De geschiedenis van Parijs sinds de stichting van Lutetia is bij Hussey (1963) ook het verhaal van meer dan tweeduizend jaar seks, poep, pies, hoeren en snoeren. Met merkbaar plezier vertelt hij over de tweeduizend lichtekooien die ooit het Palais-Royal bevolkten of over de scabreuze straatnamen die tot het begin van de 19de eeuw in Les Halles bestonden (de Lullentrekkersstraat, de Rollebollende Nonnenstraat, de Luie-Snolstraat, de Kleine- en de Grote-Kutstraat). Zijn ontmoeting met pornodiva Ovidie wordt flink uitgemeten. De kwaliteit van de seks lijkt voor hem een graadmeter voor die van het leven.

Hussey gebaart naar de straat achter de krantenkiosk. We bevinden ons hier in Houellebecqian Paris, zegt hij. ‘Door deze buurt loopt een ondergrondse stroom van industriële sex. Even verderop is de Sphinx Club, waar de seksscènes uit Houellebecqs roman Elementaire deeltjes zich afspelen. En in de Rue de la Gaîté is het Palais de Plaisir, een vreselijk bordeel dat hij frequenteerde.’ Waarderend: ‘Hij is geen rive gauche intellectueel, maar een ordinary bloke.’

Michel Houellebecq is wat Hussey betreft de enige schrijver die de grote Parijse traditie voortzet. Met de sardonische humor die je al tegenkomt in La grosse Margot van François Villon, een vers uit de 15de eeuw over een ruftende hoer, dat wel heel ver af staat van de klassieke idealen van de Franse literatuur.

Louis-Sébastien Mercier, Restif de la Bretonne, Honoré de Balzac, Louis-Ferdinand Céline, Guy Debord en Louis Chevalier, dat zijn Hussey’s helden. Schrijvers die het dagelijks leven van dichtbij observeerden, die de rauwheid en het opportunisme ervan aan den lijve ondervonden en doorgaans god noch gebod respecteerden. Minstens even belangrijk is zijn afkeer van Marcel Proust. ‘Als stilist is hij zo veel minder dan Céline. In Engeland leer je de verkeerde kant van de Franse cultuur kennen: Mallarmé, Proust, de preciositeit, het narcisme, de kunstmatigheid, de leegte. Ook dat is een deel van Frankrijk, ik weet het, maar wel een deel waarvan ik walg. Mijn boek is een geheim pleidooi tegen het precieuze en vóór les classes dangereuses.’

Volgens Hussey zijn het telkens weer die gevaarlijke klassen die de stad een nieuwe wending geven. Is dat gevaarlijke denken nog te vinden in het Parijs van Chirac en Sarkozy? Er zijn sporen. Zo weet hij dat ergens aan de oever van de Seine een graffititekst van de situationist Debord uit 1953 te vinden is die steeds ververst wordt, door een onbekend groepje jonge bewonderaars. Maar het is behelpen. ‘Frankrijk is vol nostalgie. Dat is mooi voor het platteland. Maar voor de stad is dat anders.’

‘In Londen gaan de mensen in het weekeinde naar buiten. Parijs is een wereld op zich, zeer inward looking. De péripherique maakt Parijs tot een ommuurde stad.’ Met als gevolg dat het contrast tussen de binnen- en de buitenstad, volgens Hussey een tegenstelling zo oud als Parijs zelf, groot is. ‘De gevaarlijke klassen zijn van adres veranderd en van identiteit. Vroeger waren die muren gevaarlijk gebied, daar huisden de bandieten. Als je in het hart van Parijs woont, heb je een hoge kwaliteit van leven. Je bent geneigd te vergeten dat er zoveel frontlinies zijn waar de banlieues de stad in komen: het Gare du Nord, Les Halles.’ Waar de confrontatie vroeger van binnenuit kwam, zijn het nu de banlieues die tot stellingname dwingen.

Voorlopig is dat een stellingname zonder aanvoerders. Het wachten is op de opvolgers van Jean-Paul Sartre, Guy Debord en Simone de Beauvoir. Moslimleider Tariq Ramadan, volgens Hussey een vreemde sjamaan, kan zo’n nieuwe voorman zijn. Hij noemt ook de voetballer Lilian Thuram, afkomstig van Guadeloupe. ‘Die ziet er uit als een Blue Note-cover en kan intelligent bespiegelen over négritude, over de rol van het ANC of het onbetamelijke van Sarkozy. Zinedine Zidane had dat ook. Er zijn zangers, regisseurs en schrijvers zoals Medi Belhaj Kacem. De hoge cultuur is verstard, maar in de popcultuur en de voetbalcultuur kondigen de veranderingen zich aan.’ In zijn boek schrijft hij over Parijse rappers die zich met de beste Amerikanen kunnen meten. Maar de Franse cultuur is daar, anders dan de Engelse, amper ontvankelijk voor.

Hussey behandelt zangers, acteurs en sportsterren met evenveel respect als filosofen of schrijvers. ‘Dat contrast heb ik nooit begrepen. Britten hebben aanleg voor weinig, maar wel voor rubbish, en daar beleven we veel plezier aan. Parijs heeft altijd, in chansons, straatliedjes, theater en boeken, die populaire kant gekoesterd. Ontken je die, dan stort je asfalt op de stenen.’

Hij noemt Parijs een taart van buskruit. Geleidelijke verandering is in Frankrijk een onbekend fenomeen. Een situatie accelereert traploos van stagnatie naar revolutie. Zo was het in 1789 bij de Bastille, in 1871 bij de Commune en zo was het weer in mei ’68. Dat er al zo lang een status quo in de stad heerst, voorspelt wat hem betreft weinig goeds.

Het uitblijven van een adequate reactie past in een eeuwenlange traditie, laat Hussey in zijn boek zien. Gaat Sarkozy daar verandering in brengen? ‘Ik sta sympathiek tegenover zijn project’, zegt de van huis uit ferm linkse Hussey. ‘Hij is een provocateur. Frankrijk gaat een lange periode van zwaar politiek ingrijpen tegemoet. Iedere Brit zal zeggen dat hij niet terugwil naar 1979, maar zal zich tegelijk herinneren hoe pijnlijk de jaren tachtig waren en hoe eindeloos lang dat decennium duurde.

‘Frankrijk lijkt in veel opzichten op het Engeland van 1979. Frankrijk, het huis van de revolutie en de confrontatie, is thatcherised. En zo gaat dat land de 21 eeuw binnen, zeven jaar na alle andere.’

Fucked Up

Fucked Up
Hussey komt van Liverpool, in de jaren tachtig een arme stad. Thatcher voerde, zoals hij het noemt, een burgeroorlog tegen het noorden van Engeland. In Liverpool was geen werk. Hussey vluchtte, niet naar Londen, maar naar Parijs. Als journalist voor linksige bladen zoals Socialist Worker zwierf hij door het Spanje van na Franco, verkende de underground van Madrid en Barcelona, bleef in Tanger hangen en keerde telkens weer naar Parijs terug. Totdat hij, rond 1990, genoeg kreeg van de armoede en zich inschreef aan de universiteit. Hij studeerde af op de filosoof Georges Bataille en begon aan een universitaire carrière die hem nu, zeventien jaar later, aan het hoofd brengt van de vakgroep Franse en vergelijkende literatuur van de University of London in Parijs.

Fucked Up
Wat niet wil zeggen dat de journalistiek voorbij is. Hij schrijft voor The Observer en New Statesman en levert bijdragen aan World Football van de BBC Worldservice. En hij heeft een macht aan plannen: om te beginnen een boek over gewone Britten die in 1789 in Parijs de revolutie meemaakten, een in Engeland zo goed als onbekend fenomeen. Een tweede boek zal gaan over de koloniale geschiedenis van Frankrijk in de islamitische wereld, van Beiroet naar Tanger. Werktitel: How France Fucked Up The World. Dan heeft hij nog een boekje over de Amsterdamse underground en een klein reisboek over low life in Tanger in petto. En hij werkt aan een serie voor de BBC: France on a Plate, de geschiedenis van Frankrijk, verteld aan de hand van het voedsel.

Fucked Up
De plicht roept: Hussey moet naar de universiteit. Om te gaan saneren, zegt hij huiverend. Zijn opdracht: probeer beweging te krijgen in mensen die al tientallen jaren hetzelfde doen. Als directeur leert hij nu de andere kant van Frankrijk kennen. Die van de regels en de verboden, van de universiteiten waar een Engelstalige docent niet terecht kan. ‘Ben je afgestudeerd op Bataille, dan mag je het je leven lang nergens anders over hebben. Het onderwijs hier is verlamd door bureaucratie. Op de Sorbonne zijn de boeken nog dezelfde als dertig jaar geleden.

Fucked Up
‘We willen van de London University een onderzoekscentrum maken, gericht op geschiedenis, architectuur en cultuur van Parijs en Londen. Daarvoor heb je ander personeel nodig. Maar slecht functionerende mensen kunnen hier niet ontslagen worden, zelfs niet met een riante afvloeiing.’

Fucked Up
Hussey stapt op zijn fiets, in shirt en spijkerbroek. ‘De Fransen vinden dat onbegrijpelijk. Een directeur die er zo bij loopt, verstoort de hiërarchie. Erger bestaat niet.’

Meer over