Letters zijn perfecte butlers

Gerard Unger ontwierp de nieuwe letter voor de Volkskrant. Oorspronkelijk was de Capitolium daar helemaal niet voor bedoeld. De letterontwerper houdt er wel van de buitenwereld bij de neus te nemen....

Letters in de krant moeten zich ‘waardig’ gedragen. Ze brengen doorgaans niet zulk vrolijk nieuws. Rampen, oorlogen, schandalen. Zijn R, daarin zie je sterk die gewenste voornaamheid. Het is een Romeinse orator. Die jas-, nee, die tógapanden waaruit een been naar voren steekt, die opgezette borst. En dan zo vanaf een verhevenheid de Romeinen toespreken.

Het zit ’m in die diagonaal. Trek hem links naar boven door en de lijn eindigt achter de verticaal. Dat geeft de R cachet. Eindigt die precies in de punt of ervoor, dan heb je niet eens een schreeuwer op een zeepkist. Dan heb je gewoon een R.

Inderdaad, het zit ’m in zulke details. Gerard Unger (Arnhem, 1942) geeft graag college op de vierkante millimeter. Hoe het vlaggetje op de kleine g rechthoekig kan zijn, of sierlijk omhoog zwiert, of, zoals bij deze letter – goed kijken – wat taps toeloopt naar de ontmoeting met het bovenste oog. ‘Zoiets keert vaker terug in mijn werk.’ Schreven – de horizontale streepjes aan drukletters – kunnen hoekig of vloeiend uit stokken tevoorschijn komen, en vervolgens uitlopen of juist abrupt stoppen. Hij heeft het over de ‘enorme spanning’ die je kunt creëren door te spelen met het silhouet van de c – het verloop van de binnen- en buitenboog. ‘Ik ben een bogenmens’.

Op de zitting van een stoel in zijn werkkamer ligt de omslag van een nieuwe uitgave van zijn standaardwerk over lezen en typografie Terwijl je leest (uitgeverij De Buitenkant). Het is paars-blauw met oranje letters, voor de presentatie is het ontwerp naar relaties verstuurd. Belde onlangs een kennis op: ik heb een folder van de VVD ontvangen met jouw naam erop! Unger, notoir linksstemmer, kijkt er wat zuinigjes bij. Wist hij veel, toen hij maanden geleden de omslag tekende, dat in november verkiezingen zouden zijn. Zet je met al je goede bedoelingen toch iemand op het verkeerde been.

Verwarring zaaien, dat moet wel het laatste zijn waar hij op uit is met zijn letters. Zie zijn orderportefeuille. De borden met aanduidingen van de metro in Amsterdam zijn van zijn hand. Op wegwijzers van de ANWB staan zijn letters. De vroegere PTT wist hem te vinden, toen de cijfers in het lettertype Univers (niet zijn ontwerp) in de vernieuwde telefoongids tot talrijk ‘sorry, verkeerd verbonden’ leidden; zijn diagnose: de lijntjes die openingen in de 3, 5, 6, 8 en 9 vormden liepen zo ver door dat die getallen op elkaar gingen lijken. In Bussum geboren alfabetten – voorheen op de tekentafel, tegenwoordig op de Mac – haalden kranten en tijdschriften in Nederland (Trouw, het Parool, het Brabants Dagblad, Vrij Nederland, de VPRO-gids), België, Denemarken, Duitsland en de Verenigde Staten. De geheimen van buikjes en ruggen, stokken en staarten blijven al lang niet meer binnenskamers: Unger doceert parttime aan de Gerrit Rietveld Academie en is gasthoogleraar aan de universiteit in het Britse Reading. Sinds september is hij hoogleraar Typografische Vormgeving in Leiden.

Het is – en nu citeert hij een collega-vormgever – ‘ontucht plegen met mieren’. Maar het is toch ook duidelijk dat de speelruimte oneindig is? Het zit ’m niet alleen in de oneindige detaillering aan de letter zelf. Let op de verhouding tussen hoogte en breedte, de ruimte tussen letters en zinnen. Het is uiteindelijk de ‘sfeer’ die de keuzes dicteert.

De fascinatie was er al vroeg. Zijn vader, verkoper van kunstzijde, bezat een boekenkast met veel fraais: catalogi van het Stedelijk Museum, exemplaren van het tijdschrift Arts et Métiers Graphiques. Hij herinnert zich hoe hij als 8-, 9-jarige onder de dekens met een zaklantaarn de letters aanlichtte in de Salamander-pockets; het viel hem op dat de kleine letter a een geknikte bovenkant had, en de hoofdletter A een afgeplatte. Het was de Bembo, leerde hij later.

De wrede werkelijkheid van zijn vak is toch, zoals iemand schreef: veel gelezen, zelden bekeken? ‘Zo is het wel, natuurlijk. Van alle kunstvormen is de typografie is de enige waarvan de producten niet gesignaleerd worden. Je luistert bewúst naar muziek. Doe je dat niet, ben weet je zeker dat je bent afgeleid. Je kijkt bewúst naar een schilderij, is dat niet zo dan ben je met je gedachten ergens anders. Maar lezen is een een automatisme. Je ziet geen letters.’ Hij heeft willekeurige voorbijgangers eens benaderd: teken een a en een g uit uw laatste gelezen drukwerk. Bijna iedereen produceerde de eenogige a en g uit de schrijftaal. Slechts een enkeling tekende de a en g met twee en drie verdiepingen.

Unger: ‘Letters behoren perfecte butlers te zijn. Dienstig, en als het goed is altijd enigszins onzichtbaar.’

Tot miskenning leidt het niet, in zijn geval. ‘Ik ben er heel bekend mee geworden. Ik zit in de Nederlandse canon van Frits van Oostrum, nota bene, met de begeleidende tekst in een van mijn vroege letterontwerpen, de Demos. Ik deed het boek open en zag het: wat krijgen we nou? Ik zit erin!’

Zelfs met de conduitestaat van Unger valt niet alles te voorspellen. De letter die u nu leest was in eerste aanleg helemaal niet bedoeld voor in de krant. Hij zou 21 miljoen pelgrims de weg hebben moeten wijzen die in 2000 naar Rome kwamen om er het Jubeljaar te vieren. Op wegwijzers zou-ie staan, in boekwerken en brochures, op affiches. De hele mikmak.

Toen de mededeling uit Rome kwam dat hij, Gerard Unger, de opdracht kreeg, is de champagne wel opengetrokken. Moet je je voorstellen: Rome, met een traditie van twee millennia openbare belettering, de geboorteplaats van de schreef, klopt aan in Bussum. De missie voelde een beetje als water naar de zee dragen.

Het was wel haasten: vijf maanden heeft hij aan de Capitolium getekend, bijgestaan door een zeskoppig team van het Leidse ontwerpbureau npk industrial design van Peter Krouwel. Sterker: het was minutenwerk. Unger weet nog dat hij halsoverkop met de spullen van de binder kwam, en de koerier al met draaiende motor voor de woning in de Bussumse villawijk stond.

En toen? Niks meer. De Agenzia romana per la preparazione del Giubileo zweeg in alle talen. Het hele project is nooit uitgevoerd. De organisatie moet zich hebben vergist in de implementatie van een huisstijl, vermoedt Unger. Hij heeft er niet erg onder geleden, hij is vorstelijk betaald en heeft er een prachtig product aan overgehouden.

‘De naam Capitolium is niet van mij. Ik had de letter de Appia willen noemen. Een mooie naam, kort en bondig, in alle talen uitspreekbaar en uiteraard verwijzend naar de Via. En hij zou ook nog eens bovenaan komen te staan in alle lettercatalogi. Maar de toenmalige burgemeester van Rome, Francesco Rutelli, wil graag dat het de Capitolium werd. Nou, oké. Het is geen slechte naam, maar wel een hele mond vol.’

De Agenzia wilde die millenniaoude traditie in de letter weerspiegeld zien. Unger vond de sleutel in de persoon van Giovanni Francesco Cresci. In 1570 maakte deze schrijver voor het Vaticaan en Rome een barokke variant van de klassieke Romeinse kapitalen in kleine letters. ‘Cresci was de spil van oud naar nieuw. Zeer vooruitstrevend. Alleen zijn h, met zo’n middeleeuwse kromming, zag er raar uit. Ik heb nooit goed begrepen waar hij die vandaan heeft gehaald. Ik heb zijn alfabet bestand gemaakt tegen drukwerk. Zwaarder, meer ruimte in de binnenvorm.’

Nadat het project voortijdig sneuvelde, onderzocht hij of de Capitolium de potentie van een krantenletter bezat. Zo’n letter hoort immers niet in de beslotenheid van de presentatiemap te blijven, te midden van de ruim twintig varianten die wel zijn uitgevoerd.’

‘De letter zelf is te teer. Bij het drukken van een kranten krijgt die enorm op zijn duvel. De inkt is dun. Het papier is goedkoop, absorbeert enorm en wordt met een waanzinnige snelheid door de pers gejaagd, tot 80 kilometer per uur, heb ik me laten vertellen.’

Het resultaat is de Capitolium News. Steviger dan het origineel, minder onderscheid tussen dikke en dunne belijning. De x-hoogte, de middenmarge ‘waarin het allemaal gebeurt’ is opgerekt, de stokken en staarten zijn ingekort, het beeld iets versmald. Maar meer nog dan de techniek van de krantendruk, was de ontwikkeling in zijn vak van invloed op het ontwerp. De Capitolium News is zijn antwoord op de ‘verkoeling’ in de typografie, die zich sinds 2000 voordoet. De experimenteerdrift, die zich onder meer manifesteerde in de uitbundige belettering van het muziektijdschrift Ray Gun van David Carson (‘De droom van alle jonge grafische vormgevers, maar het is bijna niet te lezen’, oordeelt Unger.) was plotseling gedoofd.

‘Het optimisme en de frivoliteit van vroeger heeft plaatsgemaakt voor overdreven serieusheid en bezorgdheid. Wie in de jaren zestig de machtsstructuren aanviel, is nu zelf regent en conservatief. Mijn opdrachtgevers zitten in die denkwereld. En daarmee is de typografie weer conservatief. Dat valt niet mee: ik ben zelf van 1942, en kan het vooruitgangsdenken maar moeilijk afleggen. Ik heb helemaal geen zin om conservatief te worden. Maar ik had een prachtig wapen in handen: een klassiek beeld. Dat kon ik herinterpreteren. Zo neem ik de wereld bij de neus. De letter is klassiek, zonder dat iemand in de gaten heeft dat er veel experiment in zit.’

Het spel met de conventies schuilt volgens Unger vooral in de binnenruimten van de Capitolium News. Kijk maar naar de opening van de a en de e. Zie hoe hoog de boog van de n aanzet aan de verticaal. Dat kan ook bij de h en de r. De poten van de v zijn wat verder van elkaar getrokken. ‘Jullie vormgevers begrepen er eerst iets niets van. Jouw letter is zwaarder dan onze huidige Mirage en toch ziet de pagina er lichter uit. We hebben er nog zes procent bij gegeven. De krant belde: helemaal goed.’

Geen misverstand: zelf is hij bedachtzaam en zorgvuldig, en niet heftig intuïtief en emotioneel. ‘Je eigen persoonlijkheid zit diep in zo’n letter. Ik zal altijd even afstand nemen. Eerst nadenken. Ik blijf altijd dicht bij de grondvorm, het archetype. Maar ik maak me wel schuldig aan wat ik zelf noem een ver doorgevoerde vorm van synthetisch ontwerpen. Ik neem alle kenmerken van klassieke letters, om ze vervolgens genadeloos te manipuleren en aan te passen aan het doel.’ Het is een werkwijze die wel past bij meer Nederlandse ontwerpers. Ze hebben een goede naam: nuchter, bereid tot consensus en een lang spoor van directe toepasbare ideeën. Studenten maken kennis met het werk van Jan van Krimpen, Gerrit Noordzij, Sjoerd de Roos. Die traditie zet zich voort. ‘Dat gaat heel gemakkelijk.’

Soms begint hij zelf aan een ontwerp, andere keren werkt hij in opdracht. Meestal formuleert hij een vraag. Hoe kan zo’n klassieke letter geschikt worden voor de krant? Is meer elegantie mogelijk? Hij laat tekeningen wel eens een half jaar liggen. ‘Dan loop ik erom heen.’ Vraag hem niet om zijn eigen handschrift in de drukletters te beschrijven. Hij heeft wel eens gezegd dat je het vlakke van Nederland erin terugziet: zijn werk oogt horizontaal door de hoge ophanging en de vrij vlakke bogen in de gewone letters. ‘Maar dat was een beetje koketteren.’ Kenners zien het. Ontwerper Max Kisman zei ooit dat hij Unger was tegengekomen in Barcelona. Niet in persoon, maar in een krantenkiosk. ‘Daar zag ik je’. Het was de Heraldo de Aragòn, in Ungers Swift.

De Swift, uit 1985, was zijn eerste krantenletter.

‘Het is Engels voor gierzwaluw. De vogeltjes zijn een oude liefde van me. Zwart, scherp afgetekend tegen de lucht. Stipt op tijd komen ze in het voorjaar aan in Nederland. Tijdens de vlucht maken ze heel snelle wendingen, met scherpe hoeken. In de letter heb ik iets van die vliegkunst willen laten zien.’

Met de Swift maakte Unger een letter die speciaal geschikt was voor het fotografisch zetten en drukken. De meeste ontwerpen voor een krant dateerden in de jaren tachtig nog uit een loden tijdperk, zoals de klassieke Times New Roman van Stanley Morison uit 1932.

Unger: ‘De Swift was toen echt iets nieuws. Ik wilde een overlever maken. Een letter die de krantenpersen kon weerstaan. Robuust. Stevige schreven. Ik dacht ook: laat ik eens fiks aan de benen van de x gaan trekken. Het Parool was de eerste krant die de Swift nam. Die wilde de letter alleen niet voor de koppen gebruiken; dan zag je te veel hoe het in elkaar zat. Daar was ik wel chagrijnig van.’

De Gulliver, uit 1993, was zijn volgende type voor de krant.

‘Er was eigenlijk een pervers motief voor deze naam. De Swift bleek vooral associaties op te roepen met Jonathan Swift, de auteur van Gullivers reizen. Het kwam mooi uit: het is een letter die zich groter voordoet dan hij is. De lilliputters uit het boek zagen Gulliver als de reus.’

Met de Gulliver reageerde Unger weer op een maatschappelijke ontwikkeling: hij wilde het zuinigste lettertype ter wereld maken. De binnenruimten zijn tot het uiterste opgerekt, de x-hoogte is extreem hoog. Door korte schreven te gebruiken kunnen de letters dicht op elkaar staan.

Unger: ‘Opdrachtgevers bleken totaal niet geïnteresseerd in die zuinigheid. USA Today kon ermee op een smaller formaat overgaan, maar dat had niks met de letter te maken, het was standaardisering van de persen. Het was interessant om te zien hoe de Gulliver werd geïnterpreteerd. De Stuttgarter Zeitung gebruikt hem alleen in een klein korps, met veel ruimte tussen de regels. Een bijna literair beeld. Maar USA Today, dat was echt een schok. De ruimte ertussen is verdwenen, de regels staan dicht opeen. Een waanzinnig compacte typografie. De krant zei: we hebben het getest, de lezers vinden het prachtig. Wat zal ik dan nog?’

In 2000 kwam de Coranto.

‘Ondernemende Nederlanders drukten in de 17de eeuw kranten die in Engeland werden verspreid. Die werden daar corantos genoemd, van courant.’

Deze letter speelt in op de voortschrijdende druktechniek en betere papierkwaliteit van de krant. Het draait niet meer alleen om overleven op de pers. Met precisie en verfijning – de verticalen worden wijder aan boven- en onderkant, de schreven lopen dunner uit – kunnen letters nu sfeer en identiteit scheppen.

Unger: ‘De Volkskrant was eerst geïnteresseerd in deze letter. Vonden jullie hem te literair? Dat wist ik niet eens. Dat zijn curieuze noties, daar heb ik geen vat op. De Coranto is in elk geval experimenteler. Hij staat in de VPRO-gids. De Groene Amsterdammer heeft hem een tijdje gehad. Dat is ook zoiets. Eerst waren ze daar heel blij: ons product is veel leesbaarder! Nu gebruiken ze een veel ouder type, de Miller. En wat zeggen ze? Veel leesbaarder dan jouw Coranto! Tja.’

Vraagt elke krant zijn eigen letter? ‘Het gaat niet alleen om de letter, natuurlijk. Welke varianten zijn er? Wat is de opbouw? Ik vind dat de Capitolium bij de Volkskrant past. Jullie zijn toch ook enigszins bedachtzaam in de berichtgeving. Een sociale krant. Jullie ondersteunen van de culturele sector. Behoorlijk serieus allemaal. Ik zou best De Telegraaf willen doen, maar mocht het tot een gesprek komen, zal toch de conclusie zijn dat we qua mentaliteit niet bij elkaar passen.’

Trouw vond hij lang misschien wel de mooiste krant ter wereld, met allemaal schreefloze letters. Maar lang achtereen lezen blijkt toch moeilijk met dat lettertype. Ergonomisch onderzoek heeft het uitgewezen. ‘Het oog gaat niet gelijkmatig over een regel, maar maakt sprongen, vier per seconde. De fixatie ligt iets links van het midden van een woordgroep. Twee of drie letters zie je scherp, daarbuiten neemt het af. In die gebieden doen vooral stokken en staarten hun werk. Die tekenen zich met schreven nu eenmaal beter af.’

Wat zijn de gevolgen voor de typografie, nu kranten zich op beeldschermen gaan manifesteren? ‘Als onderscheidend element wordt dat steeds belangrijker. Het is een interessante ontwikkeling, maar ik ga er rekening mee houden dat ik dat niet ga meemaken. Voor een goede weergave heb de 250 punten op één centimeter nodig. De meest geavanceerde schermen halen 65, hooguit 70 punten. Het gaat niet erg hard.’

Dus zal Unger zaterdagmorgen gewoon naar de kiosk fietsen voor de Volkskrant met zijn Capitolium. ‘Ik heb al een aardige collectie, maar zo’n eerste exemplaar moet je natuurlijk wel hebben.’

Meer over