Leren leven met het kwaad

Democratie en mensenrechten kunnen niet met geweld worden opgelegd, schrijft de Britse filosoof John Gray in zijn jongste boek, Zwarte mis....

Peter Giesen

Als westerlingen kijken we vanuit onze comfortabele wereld in een diepe afgrond, waar mensenrechten worden geschonden, etnische minderheden worden vervolgd, meisjes niet naar school mogen en terroristen een schuilplaats vinden. Hoe moeten we met deze ellende omgaan?

In elk geval niet door het leger erop af te sturen, schrijft de Britse filosoof John Gray in zijn nieuwe boek Zwarte mis. Democratie en mensenrechten kunnen niet met geweld worden opgelegd. Wie dat toch probeert, zal een chaos ontketenen die de wereld alleen maar gevaarlijker maakt. De oorlog in Irak is daarvan het beste voorbeeld.

Het idee dat geweld de mensheid kan zuiveren, maakte school tijdens de Franse Revolutie. Dankzij de Revolutie lag een hogere vorm van menselijk leven binnen handbereik, meenden de revolutionairen. Wie zich tegen de vooruitgang – en daarmee het geluk van anderen – verzette, verdiende ook niet beter dan de guillotine. De mensheid zou enorme schade worden toegebracht als de Revolutie zou smoren in sentimentaliteit. ‘Medelijden is verraad’, zoals de jakobijnse leider Robespierre zei.

De jakobijnen vonden navolging bij de 19de-eeuwse anarchisten, bij Mao Tse Toeng en Pol Pot, bij de Rote Armee Fraktion en Al Qa’ida. Tot zover zullen de meeste lezers instemmend knikken. Maar ook de Amerikaanse neoconservatieven behoren tot de erfgenamen van Robespierre, meent Gray. Zij rechtvaardigden een bloedige oorlog in Irak met hun grootse droom van een democratisch Midden-Oosten. Na de val van Saddam Hoessein zouden de Arabieren zich massaal bekeren tot die ene superieure staatsvorm: de liberale democratie naar Amerikaanse snit. Diep in hun hart, zo geloofden de neocons, zijn alle wereldburgers kleine Amerikanen die naar democratie verlangen.

Dat is een utopie gebleken, en daarmee komen de neoconservatieven in het schootsveld van Gray, die naam heeft gemaakt als een geharnast criticus van het vooruitgangsgeloof. Gray begon links, maar ontpopte zich in de jaren tachtig als een aanhanger van de rechtse premier Thatcher. In de jaren negentig schreef hij met Valse dageraad weer een felle kritiek op het neoliberalisme. Hij bestrijdt echter dat hij een politieke windvaan is. Naar eigen zeggen keert hij zich slechts tegen elke vorm van utopisme. Daarom steunde hij Thatchers strijd tegen het dogmatische vakbondssocialisme van Labour, maar haakte hij af toen ook het neoliberalisme versteende tot een heilsleer die universeel moest worden toegepast.

Het neoliberalisme hoorde bij de jaren negentig, toen vrijheid als hoogste goed werd beschouwd. Na 11 september staat niet langer de vrijheid, maar de veiligheid centraal. Het neoconservatisme is de heilsleer die bij deze nieuwe situatie past, aldus Gray. De neocons geloven dat het kwaad kan worden uitgeschakeld met militaire middelen.

In de 20ste eeuw was het utopisme vooral bij links te vinden. Rechts ontleende zijn identiteit veelal aan het verzet tegen de onbekookte plannen van linkse wereldverbeteraars. Conservatieven beseften dat een samenleving het product is van historische omstandigheden, die niet met een nieuwe blauwdruk veranderd kunnen worden. Ze geloofden niet in grootse plannen, maar in het menselijk tekort.

Sinds de val van de Muur in 1989 is die situatie drastisch veranderd, meent Gray. Eerst kondigde Francis Fukuyama triomfantelijk het einde van de geschiedenis af. De liberale democratie was voorbestemd om een universele regeringsvorm te worden. De gebeurtenissen van 11 september lieten echter zien dat het enthousiasme voor de ‘universele’ democratie in grote delen van de wereld te wensen overliet. Daarop grepen de neoconservatieven hun kans, aldus Gray. Als de liberale democratie niet vanzelf wortel schoot, moest zij met militaire middelen worden bevorderd. Alleen dan zou het Westen veilig zijn voor zijn niet-liberale tegenstanders.

Veel Amerikaanse neoconservatieven zijn links begonnen, in de trotskistische hoek. Hun ideeëen zijn veranderd, maar hun intellectuele stijl niet, schrijft Gray. Trotski geloofde in een permanente revolutie, waarbij de oude wereld moest worden afgebroken om een nieuwe te creëren. De neocons wilden de bestaande Arabische orde vernietigen, teneinde democratie en vooruitgang te vestigen. Zoals Trotski meende dat de Europese arbeiders naar een revolutie hunkerden, zo geloofden de neoconservatieven dat zij door dankbare Arabieren als bevrijders zouden worden ingehaald.

Dat zij de situatie in Irak totaal verkeerd inschatten, was geen toeval. Zoals alle ideologen zijn de neocons geneigd de feiten ondergeschikt te maken aan de morele orde waarin zij zo sterk geloven. Volgens de neoconservatieven Gary Schmitt en Abram Shulsky was het doel van inlichtingenwerk niet de ‘waarheid’, maar de ‘overwinning’. Ook dat doet weer denken aan de communisten die ‘de waarheid logen’ om een betere wereld te bereiken.

De oorlog in Irak werd ook gesteund door progressieve denkers als Michael Ignatieff en Paul Berman. Zij zijn moeilijker te bekritiseren dan de arrogante neoconservatieven, wier ongelijk inmiddels door de geschiedenis zelf is bewezen. Want: ‘Wie durft te ontkennen dat tirannie slecht is, of twijfelt aan het ideaal van een wereld die is gegrondvest op mensenrechten?’, zoals Gray schrijft.

Toch maken de progressieven een soortgelijke denkfout als de neoconservatieven, vindt Gray. Ook zij geloven in de utopie van een universele democratie, een wereld waarin overal de mensenrechten worden gerespecteerd. Maar in de echte wereld zullen altijd verschillende religies, ideologieën en staatsvormen naast elkaar blijven bestaan. Sinds de val van de Muur heeft de wereld zich allerminst ontwikkeld in de richting van de universele democratie, zoals Fukuyama voorspelde. Mede door de oorlog in Irak is het gezag van de Verenigde Staten enorm afgenomen, terwijl in China en Rusland autoritaire regimes zijn opgekomen. In het Midden-Oosten lijkt de ‘volkstheocratie’ het meest voor de hand liggende model voor de nabije toekomst, aldus Gray. Na Iran zal waarschijnlijk ook Irak straks worden geregeerd door de sjiitische geestelijkheid.

In deze wereld van explosieve tegenstellingen is het bewaren van de vrede van het allergrootste belang, vindt Gray. Er is slechts één ding universeel aan het menselijk samenleven: het conflict. Het is een oude revolutionaire illusie te geloven dat een periode van definitieve harmonie zal aanbreken als eenmaal met de tegenstander is afgerekend. De universele democratie is evenmin haalbaar als de klassenloze samenleving die de oude communisten voorstonden.

Grays standpunt lijkt in eerste instantie onbevredigend, omdat het zo sterk naar moreel relativisme schijnt te neigen. Moeten we dan maar toekijken hoe de rest van de wereld in duisternis leeft? Toch is zijn utopiekritiek overtuigend. Het kwaad zit in de mens en kan nooit definitief worden uitgeschakeld. Het enige wat we kunnen doen, is zo goed mogelijk met het kwaad omgaan.

Gray grijpt terug op het realisme van Machiavelli, die schreef dat regeringen hun doelstellingen moeten bereiken in een wereld van onenigheid, die nooit ver van oorlog is verwijderd. ‘Het realisme blijft ondanks zijn amorele reputatie de enige zienswijze die ethisch serieus is’, schrijft Gray. De realist geeft zich rekenschap van de gevolgen van zijn handelen. Wie de democratie met het zwaard probeert te verspreiden, doet aan getuigenispolitiek. Uit een gevoel van morele superioriteit – wij zijn Verlicht, zij niet – wordt een strijd ontketend die slechts tot chaos en instabiliteit leidt.

Zwarte mis is een mooi boek, vol wijsgerige inzichten die het denken over oorlog en vrede aanscherpen. Gray schrijft toegankelijk en amusant, met veel uitstapjes naar de spelonken van de ideeëngeschiedenis.

Zoals de meeste prikkelende auteurs neemt hij soms extreme standpunten in. Hoewel hij elk dogmatisch geloof verwerpt, neemt zijn eigen geloof in het menselijk tekort soms dogmatische vormen aan. Maar we hoeven Gray niet te volgen in zijn overtuiging dat elke vorm van morele vooruitgang een illusie is, om zijn kritiek op het utopisch denken te delen, of op zijn minst interessant te vinden.

Het leven is niet maakbaar, de mens is gedoemd om voort te ploeteren en er het beste van te maken, schreef hij in zijn magistrale Strohonden uit 2003. Dat geldt evenzeer voor de politiek als voor het individuele bestaan. Het probleem is echter, zoals Gray zelf ook aangeeft, dat mensen maar moeilijk met deze waarheid kunnen leven. Daarom verliezen zij zich telkens weer in grootse dromen, met alle mislukkingen en frustraties van dien.

Op één punt overspeelt Gray echter danig zijn hand. Hij behandelt het neoconservatisme in één adem met het communisme, en dat is schromelijk overdreven. Weliswaar zijn de intellectuele parallellen opvallend, maar de bloeddorstigheid van de communisten was toch van een ander kaliber.

Guantánamo Bay is een schande voor een liberale democratie, maar er komen geen miljoenen mensen om, zoals in de Sovjet-goelags. Bovendien was het communisme in eerste instantie een eclatant succes. Na de revolutie van 1917 verspreidde het communisme zich binnen een paar generaties over grote delen van Europa en Azië.

Het neoconservatisme daarentegen is een eclatante mislukking, zoals Gray zelf ook meermaals tevreden opmerkt. De ‘Nieuwe Amerikaanse Eeuw’ die de neoconservatieven aankondigden, heeft maar een jaar of tien geduurd. Met de oorlog in Irak hebben de neocons zichzelf de das omgedaan. Als straks Hillary Clinton in het Witte Huis zit – of een andere president die ongetwijfeld gematigder zal zijn dan George W. Bush –, dan zullen zij verder in vergetelheid raken.

Dat maakt de inzichten van Gray overigens niet achterhaald. Op sommige punten zal de verleiding van het neoconservatieve denken blijven bestaan, vooral in de gedachte dat vrede en veiligheid om de hoek liggen, als we maar door de zure appel van de oorlog durven heen te bijten.

Meer over