Late passie bij gedempt licht

Op zijn 80ste vertoont de Duitse romancier Martin Walser nog geen spoor van matheid. Een ogenblik van liefde verrukt als vanouds door Walsers vernuftige formuleringen....

Gottlieb Zürn is makelaar in ruste, schrijver en privégeleerde en hij woont op de plek die trouwe lezers van Martin Walser moeiteloos herkennen, in Zuid-Duitsland, aan de Bodensee. Daar woont de schrijver zelf: terras aan het water, bootje aan de steiger, vergezichten op het grillige meer. Ook heeft hij diens obsessies: valt er nog menselijk te leven met de Duitse schuld en waar loopt de grens tussen liefde en passie, als er zo’n grens is?

In Een ogenblik van liefde, drie jaar geleden in Duitsland verschenen en nu in het Nederlands vertaald, zijn de thema’s bekend en vertrouwd. Maar, wat meer is, de stijl is dat eveneens, dat wil zeggen: men keert terug in de onweerstaanbare literaire banketbakkerszaak die men zich herinnerde, men wordt niet aflatend getrakteerd op verbale lekkernijen, op formuleervernuft.

Wat een feest, wat een plezier – en wat een uitdaging ook om goed te blijven opletten: de 80-jarige schrijver vreet geen lezersenergie, hij verstrekt het. Daar heeft vertaalster Ria van Hengel aanstekelijk goed werk geleverd. ‘Als je staand op één been nog je schoenen kunt aantrekken, ben je nog niet oud’, overweegt de bijna bejaarde Zürn. Die lenigheid demonstreert zijn schepper, de schrijver, die lenigheid legt zijn Nederlandse vertaalster aan de dag.

Zürn heeft ooit, onder een van zijn talrijke pseudoniemen, twee opstellen over de 18de-eeuwse filosoof Julien Offray de la Mettrie geschreven, de auteur van het Verlichtings-program L’Homme machine. Mooi boekje, waarin wordt uitgelegd dat er niets in de geest is dat niet eerst in de zintuigen was en dat er dus alle reden is met koele blik naar de passies te kijken: kan het zijn dat alles waar wij ons druk over maken zuiver een zaak van stofwisseling is?

Men voelt de gevolgen van dat mensbeeld voor Walsers obsessies. Dat Zürn zich voor het filosofisch materialisme interesseerde, is zo vreemd nog niet.

Dat hebben zij op het Amerikaanse congres, waar hij door de ijver van een jonge onderzoekster naar wordt uitgenodigd, ook in de gaten. Een Duitser die gelooft dat er niets in de geest is dat niet eerst in de zintuigen was, is een Duitser die van zijn aandelen in de collectieve Duitse schuld af wil. De onderzoekster, veertig jaar jonger dan Zürn, heet ‘Beate’: dicht bij ‘beauty’ in het Engels, dicht bij ‘bête’ in het Frans. Het is om je te benatten, waarmee de cirkel weer gesloten is, want dan manifesteert de gemoedstoestand zich lichamelijk. Van de zenuwen die de stralende Amerikaanse dubbelaanval bij hem wekt, verliest Zürn zijn stem: wat nou autonoom materialisme?

Terwijl de academische filosofen hem als Duitser verdacht maken, maakt de jonge onderzoekster hem het hof. Ook dat is schrikken, halverwege je zevende decennium. Hotelkamers, eenkamerflatje van de jonge academica, verrassende passie bij gedempt licht: de affaire is begonnen. In zijn vorig jaar verschenen roman noemde Walser datzelfde fenomeen, opbruisende ouderdomsgeilheid, Angstblüte. Hij is alweer betrouwbaar in zijn obsessies.

Die met het filosofisch materialisme krijgt een lelijke knauw, want al na een paar dagen beseft Zürn dat hij helemaal niet wil zijn waar hij is, ook al krijgen zijn zintuigen daar aangename prikkels uitgedeeld.

Hij wil naar huis, naar zijn vrouw, zijn uitzicht en zijn boot. Dat is schrikken, voor beide betrokkenen. Die vrouw heeft de makelaardij tot bloei gebracht toen haar man wijsgerige speculaties zat uit te schrijven en inmiddels onderhoudt zij ook een praktijk als natuurgenezeres. Alles wat deze mensen doen lijkt wel in elkaar te grijpen, als betrof hun leven, hun voelen, hun samenleven, hun liefde een vernuftig geconstrueerde machine.

Blijven het heimwee en het verlangen naar die ouder wordende vrouw aan de Bodensee blijft het ‘ogenblik van liefde’, de vonk van betovering, het vuur van verbondenheid. Zou De la Mettrie er raad mee weten? Die citeert zijn collega Pascal, die van de redenen van het hart die de rede niet kent, de filosoof van de angst en de hoop. Zürn constateert dat zijn liefde groter is dan zijn passie en dat dat niks met zijn leeftijd te maken heeft.

Het zit leep in elkaar, met al die dwarsverbanden en terloopse verwijzingen. Het is geschreven met de zuinigheid van iemand die in tijdnood zit en nog onvoorstelbaar veel wil zeggen. Dat levert zinnen op die tegelijkertijd inspirerend en verrukkelijk zijn. Het is lastig daaroverheen te lezen, het is ondoenlijk zonder bewondering naar die literaire ouderdomsgeiligheid te kijken.Michaël Zeeman

Meer over