LARS NOREN

De Zweedse toneelschrijver Lars Norén maakte naam met moderne familietragedies waarin ouders, kinderen en echtelieden elkaar tergen in nachtenlange scheldpartijen....

DE EERSTE JAREN dat ik hem kende had hij geen telefoon en geen bel. Als je hem wilde spreken, moest je op de trap van zijn huis gaan zitten in de hoop dat hij een keer naar buiten zou komen om boodschappen te doen.' Karst Woudstra, vertaler en vriend van Norén, leerde de schrijver kennen in 1978, kort na de première van De Vorstenlikker, Noréns eerste toneelstuk. 'De voorstelling in Stockholm was een schandaal. Het publiek joelde, opgestookt door de pers, moet je net dat burgerlijke publiek daar hebben. Na vier keer is de productie van het repertoire gehaald. Hij wilde niks meer met toneel te maken hebben.'

Als dichter was Lars Norén al beroemd. Na die rel heeft hij een paar jaar niet geschreven. Toen Woudstra hem vertelde dat hij De Vorstenlikker in Nederland zou regisseren, schreef Norén er diezelfde nacht nog een epiloog bij. 'Als het aan hem lag, blééf hij herschrijven. Soms moest je een stuk gewoon onder zijn handen vandaan trekken. Drie jaar geleden regisseerde ik in Stockholm Zomer, dat hij speciaal voor mij had geschreven. We namen een bepaalde subtekst als leidraad en hij was zo verrast dat hij meteen een nieuwe versie schreef om die subtekst duidelijker naar voren te halen.'

Norén produceerde in de jaren tachtig het ene na het andere toneelstuk waarin echtparen of families elkaar de huid volschelden. Tussen boordevolle asbakken en lege drankflessen keren ze elkaar nachten lang geestelijk binnenste buiten, tot ze bij het ochtendlicht het uur van de waarheid beleven. Zijn stukken zijn allemaal even levensecht en autobiografisch, Freud in het kwadraat. 'Toch zijn die stukken extremer dan zijn autobiografie', zegt Woudstra. 'Ik kwam veertien jaar bij hem over de vloer, maar er was nooit drank in huis, laat staan dat ik ooit iets heb meegemaakt dat lijkt op wat er in die stukken gebeurt.'

Op zijn zestiende kwam Norén naar Stockholm, vanuit een klein dorpje in Zweden waar zijn ouders een hotel dreven. Woudstra: 'Toen zijn moeder overleed zat hij in die grote stad met een vreselijk schuldgevoel. Hij is er een paar maanden lang voor opgenomen geweest. In Zweden geloofden ze toen alleen in pillen, spuiten en elektroshocks. Het idiote was dat ik op dat moment in die zelfde inrichting werkte. We kenden elkaar toen nog niet. Later hebben we ontzettend gelachen om een sportdag voor schizofrenen die we allebei hadden meegemaakt. Schizofrenen die zaklopen, eentje die niet over de finish durfde en vlak voor de streep stokstijf bleef staan, een ander die het parcours zigzaggend nam.'

'Hun hotel ging failliet en zijn vader raakte aan het zwerven. Hij heeft nog in een kliniek voor alcoholici gezeten. Maar toen de man stierf, konden ze Norén niet bereiken, geen telefoon. Na zijn dood begon die vader te spoken. Norén is toen in analyse gegaan. Dat is ook de tijd van De moed om te doden.'

Teuntje Klinkenberg regisseerde het stuk in 1982. Ze zegt: 'Juist dat alledaagse in die stukken is zo herkenbaar, daardoor loop je wel de kans in spruitjeslucht te blijven hangen, maar Norén slaagt erin die realiteit naar een hoger plan te tillen en het te hebben over grote thema's. Het begint met een ruzie over een raam en het eindigt met een vadermoord.'

'Norén dwingt je om je eigen ervaringen aan te spreken. De pijn die het kost om je los te maken van je ouders, daar was ik zelf ook mee bezig. Ik had ook een heel overheersende vader.' Janine Brogt, dramaturge bij Toneelgroep Amsterdam, heeft een moeizame verhouding met die relatiestukken. 'Al die kapotte vrouwen blijven maar hangen aan vreselijke mannen die elkaar voortdurend vliegen afvangen. Na afloop wil je gaan zwemmen om het van je af te spoelen. Het is altijd waar wat hij schrijft, maar je wilt dat niet altijd zien. Toch hebben zijn stukken altijd zo'n wonderlijke rust, de scènes ademen en zijn weergaloos geschreven.'

Ton Lutz speelde de vader in Nacht moeder van de dag, in 1983 bij het Publiekstheater. 'We werden geconfronteerd met een schrijver die het menselijk onvermogen zo verschrikkelijk ten voorbeeld stelde dat je er niet aan ontkwam. De alcohol, het uitgekeken zijn op elkaar in een huwelijk, de onmacht om iets van je leven te maken. In de jaren tachtig is hij zich wel erg blijven herhalen, dezelfde thematiek in steeds andere anekdotes. Zijn stukken zijn heel negatief, maar de grote tragedies zijn dat ook. Daaraan kun je wel iets positiefs ontlenen.'

'Norén staat als Zweed in de traditie van grote schrijvers als Ibsen en Strindberg. En hij is vooral een verlengstuk van O'Neill. Hij toont het verloren gaan van mensen die geen horizon meer hebben. Natuurlijk hoort hij bij het psychologisch realisme, maar psychologie op zichzelf is de vijand van het theater. Het uitdokteren hoe een mens in elkaar zit, is niet theatraal. Het is de dramatische situatie waardoor alles gebeurt. De impulsen tot menselijk gedrag liggen buiten onszelf. Bij Norén is dat ook zo.'

Een man wil zijn vrouw omhelzen, maar struikelt over een stoel. Een andere man draagt de urn met as van zijn moeder in een plastic tasje. Bij een ruzie smijt zijn vrouw die urn kapot. Waarna een vriendin de as de volgende ochtend per ongeluk opzuigt. Of, in een ander stuk, gooit een vrouw de as van haar sigaret in zo'n zelfde urn. 'Altijd die urnen', zegt Teuntje Klinkenberg. 'Om namaak-as te krijgen heb ik voor Demonen nog tijm fijn staan malen in de blender.'

Suzanne Osten, regisseuse in Zweden: 'Het zijn eigenlijk komedies. Na die flop van De Vorstenlikker vormden we een ensemble en deden Een vreselijk geluk. We bouwden een echte keuken na, maar we speelden wel recht op het publiek. We mengden het met film en groteske momenten, zodat je een mix kreeg van commedia dell'arte en naturalisme. Nu is Norén een succes. Helaas worden zijn drama's meestal te naturalistisch gespeeld. Hij gelooft in details en die werkt hij uit tot op de millimeter. Hij is een echte fetisjist.'

'In zijn kamer stonden wel twintig paar glimmende, dure Italiaanse schoenen', zegt regisseur Gerardjan Rijnders. 'Na ieder stuk trakteerde hij zichzelf op een nieuw paar. Er stond ook nog een racefiets. Verder was die kamer vrijwel leeg.' Rijnders heeft Norén één keer ontmoet, in 1982, toen hij een stuk van hem bij Globe zou ensceneren. 'Hij was heel vriendelijk, beleefd, maar echt communicatief was hij niet. Over die stukken had hij niet zoveel te zegen. Hij vond wel dat er geen beter toneel was dan Wie is bang voor Virginia Woolf en de stukken van O'Neill.'

Woudstra: 'Als puber zat hij op een avond in dat hotel waar hij woonde met zijn ouders. Hij hoorde op de radio een hoorspelversie van A Long Day's Journey Into Night van O'Neill. Dit gaat over mijn pappa en mij, dacht hij. Dat stuk en Virginia Woolf waren fantastische modellen, daar kon hij er wel zes van maken. Originaliteit heeft hij nooit nagestreefd.' In de loop van de jaren tachtig werd het publiek moe van Norén, men had die verwoestende gezinnen vol drank, seks en incest wel gezien.

'Een jaar of drie geleden, na de voltooiing van zijn analyse, heeft hij met alles gekapt,' zegt Woudstra. 'Hij heeft zijn bureau opgeruimd. Er kwamen nog vier mappen met onafgemaakte stukken te voorschijn, maar hij had geen grein waardering meer voor zijn vroegere werk. Hij is klaar met zijn verleden, daar wil hij niet langer uit putten. Nu wil hij uitsluitend observeren wat hij om zich heen ziet.'

In zijn nieuwste tekst, Een soort Hades uit 1995, komt geen familie meer voor. Het speelt zich af in een psychiatrische kliniek, waar mensen wachten, kletsen, tv- kijken of computerspelletjes doen. Norén schreef het in opdracht van de Zweedse televisie. In zijn eigen regie werd het vorig jaar uitgezonden tijdens de kerstdagen. Suzanne Osten heeft het gezien: 'Het duurde alles bij elkaar geloof ik zes of zeven uur. Sommige scènes waren briljant, andere waren stomvervelend. Maar voor hemzelf was het een belangrijke verlossing van die eeuwige familiestukken.'

Gerardjan Rijnders kreeg de tekst twee jaar geleden van Karst Woudstra in het Zweeds en was de enige uit het gezelschap die het kon lezen. 'Ik vond dat we het moesten doen. We ontdekten pas later dat het voor de tv bedoeld was. Want hoe laat je vogels opstijgen uit een tafelblad of een naakte man een naakt jongetje aftrekken? Dan krijg je last met de zedenpolitie. De grootste ingreep is dat we nu veel scènes door elkaar doen, simultaan, alsof je een ruwe film monteert. Het wordt echt een montagevoorstelling, er is overal wat te zien.'

Rijnders bracht ter voorbereiding twee weken door in zo'n inrichting. 'Eén nacht heb ik in de isoleercel gezeten. Ik vond er niks aan. Er lag alleen een matras en je mocht er niet roken. Gekte associeer je altijd met drama en emoties. Maar die mensen vervelen zich te pletter, de tijd staat er stil. Hun grootste angst is dat ze er nooit meer uit zullen komen. Ze praten eigenlijk over niks, dat kabbelt maar door, allemaal in dat therapeutenjargon dat Norén ook hanteert. Hij heeft gewoon opgetekend wat hij hoorde.'

Karst Woudstra weet uit ervaring hoe Norén altijd alles gebruikt wat anderen zeggen, daar had hij een ijzeren geheugen voor. 'Overdag luisterde hij, 's avonds schreef hij alles op. Als hij was vergeten wat ik precies had gezegd in een gesprek, belde hij en probeerde me diezelfde zin te ontlokken. Ik had daar nooit moeite mee, met anderen heeft dat wel eens dramatische breuken veroorzaakt. We hebben nu niet meer zoveel contact. Twee jaar geleden is hij voor de derde keer getrouwd met een veel jongere vrouw. Hij leidt nu een heel ander leven. Zo mensenschuw als vroeger is hij niet meer. Toen durfde hij zelfs voor zijn eigen premières de deur niet uit, dan ging ik voor hem kijken om daarna meteen te gaan vertellen hoe het was geweest. Hij keek als het ware door mijn ogen. Tien jaar lang belden we elke dag, dat was een ijzig vaste afspraak. Nu valt dat weg en dat is ook wel bevrijdend.'

Teuntje Klinkenberg heeft Norén een paar keer ontmoet. 'Door die stukken denk je, het is vast een heel complexe, moeilijke man. Maar hij is heel aardig, heel gewoon. Je kon met hem over alles praten, hij was vreselijk geïnteresseerd in kleine, dagelijkse dingen. Mijn voorstellingen heeft hij destijds niet gezien. Hij was steeds van plan om te komen, maar dan was hij op het laatste moment weer zo angstig voor het hele circus dat hij afbelde. Toen ik hem zag, was het als een ontmoeting met een oude bekende.'

Een soort Hades van Lars Norén door Toneelgroep Amsterdam. Regie Gerardjan Rijnders. Transformatorhuis, Amsterdam. Tot en met 31 mei; aanvang 19 uur.

Meer over