BeschouwingEsther Kinsky

Langs de rivier is een roman vol hoogstandjes, waarin het loont om elke zin aandachtig te lezen

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

De Duitse auteur Esther Kinsky laat een anonieme vrouw aandachtig om zich heen kijken in een onbeduidend landschap. Langs de rivier is een genereuze gift voor de geduldige lezer.

In Langs de rivier laat de Duitse schrijfster Esther Kinsky (1956) een anonieme vrouw aan het woord die dagelijks langs een riviertje in het oosten van Londen wandelt, de Lea, in een poging een persoonlijke crisis te boven te komen. In terugblikken beschrijft ze andere rivieren, in Canada, India, Polen en Hongarije, en de Rijn nabij het Siebengebirge, waar ze is opgegroeid.

Over de vrouw komen we niet veel te weten. Ze komt uit West-Duitsland. Ze heeft in Canada en Israël gewoond. Ze heeft veel gereisd. Er is sprake van een kind. Haar vader is niet lang geleden gestorven. Nu woont ze in Londen. Dat is het zo’n beetje.

De reden van haar crisis is al even mistig. Misschien dat de dood van haar vader de aanleiding was, maar dat wordt nergens expliciet. Het verhaal begint als ze net is verhuisd naar een arm, vervallen stadsdeel vol immigranten. Ze leidt een ‘provisorisch leven’, vertelt ze. ‘Ik had mijzelf uit het leven geknipt dat ik in de stad had geleid.’ Ze woont in een buurt waar ze niemand kent, waar straatnamen, uitzichten en geuren onbekend zijn, in een goedkope huurwoning ‘waar ik mijn leven een poosje wilde parkeren.’ De verhuisdozen pakt ze niet eens uit.

Het boek loopt van herfst tot voorjaar. De verteller geeft uitgebreide beschrijvingen van het landschap langs de Lea. Het is een gebied waar de stad eindigt en een rafelrand begint, een terrein zonder veel definitie, vol restanten en vage plekken: verlaten loodsen, door struikgewas overwoekerde veldjes, rietkragen, half ingestorte schuurtjes, het talud van een spoorbaan, viaducten, een in onbruik geraakte ijsbaan. Ze fotografeert de details die het gebied tekenen: een kaal veld vol plassen, wat haveloze caravans, een berm met kreupelhout. ‘Niets meer gepland’, zegt ze erover, ‘alles aan het toeval overgelaten.’ De aandacht waarmee ze al die onbeduidende plekken registreert, krijgt iets van een statement. Ook dit is echt, zegt ze, ook dit telt.

Met dezelfde aandacht kijkt ze naar haar buurtgenoten. We zien de naamloze Kroaat in zijn kringloopwinkel en de kinderrijke gezinnen die gebruikte kleding komen kopen: hij stort zijn aanbod zonder omhaal uit vuilniszakken op de vloer. We zien de groenteboer Katz en de orthodoxe joden die inkopen bij hem doen voor de hoogtijdagen. We zien de mysterieuze, als koning uitgedoste man die in het park met de raven danst. Ook de aandacht waarmee de verteller naar deze mensen kijkt, heeft een lading: onze maatstaven voor wie er wel en niet toe doen, zegt ze, deugen niet.

Stroom van beschrijvingen

Zo neemt Kinsky de lezer mee in een stroom van beschrijvingen. Er zijn nogal wat hoogstandjes. In de rivierbeschrijvingen weet haar verteller steeds weer nieuwe details te vinden: melkwitte luchten die door het stromende water worden gefragmenteerd, de reiger in riet waar het afval zich heeft opgehoopt, de ‘losgeraakte’ geluiden die uit de verre stad komen aanwaaien. Ze vindt een dierenvel. ‘Het leek uitgespreid, je kon zien waar de kop en poten hadden gezeten, alsof het dier er gewoon uit was gegleden.’

Ook de beschrijvingen van haar buurtgenoten zijn mooi. Na een storm helpt ze een oude vrouw om de schade in de tuin op te ruimen. De vrouw ‘achter het verbrijzelde erkerraam, met op het hoofd nog de koud geworden elektrische krulspelden waarvan de stroomkabel als een zielig staartje over haar schouder hing, schonk me een tandeloze glimlach.’ Er is een prachtige, ontroerende beschrijving van een folkloristisch dansgroepje dat oefent in de haveloze winkel van een Oost-Europese kruidenier, waar de schappen aan de kant zijn geschoven. We zien vijf jonge vrouwen in traditionele kleding die gaandeweg rood aanlopen van inspanning, zwetend en giechelend, via de beslagen ramen gadegeslagen door een groepje natgeregende mannen, onder wie groenteboer Katz, die af en toe met zijn tong klakt. Aan de muren hangen verschoten toeristenposters uit het verre vaderland. Ze herinneren aan de uit ‘nood, ergernis, verveling of verdriet verlaten heimat’, maar dat chagrijn wordt nu, ‘op de donkere avonden voor Kerstmis, op een armoedige, afgesleten linoleumvloer aan flarden (…) gedanst.’

In de stroom van beschrijvingen wordt gaandeweg het verdriet van de verteller voelbaar. Het is een procedé dat we onder meer kennen van Kinsky’s landgenoot W.G. Sebald (Austerlitz, De ringen van Saturnus) en, in Nederland, Miek Zwamborn (De duimsprong). Het zijn schrijvers die niet veel ophebben met psychologie, maar de individuele drama’s van rouw, schuldgevoel en eenzaamheid voelbaar maken in de landschappen die ze beschrijven. Met dat weidse perspectief komt de machteloosheid van de enkeling scherp in beeld. Dat geldt ook voor Kinsky’s verteller, die nauwelijks greep heeft op haar leven. Ze doet haar best, ze luistert, ze kijkt en fotografeert, maar nooit wordt ze meer dan een toeschouwer, altijd op afstand, en steeds op haar hoede in een wereld die zich aan elke duiding onttrekt.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Een roman waarin rivieren zo’n grote rol spelen wordt vanzelf een meditatie over de tijd, over verandering en onbestemdheid. Panta rhei, leerden we van Heraclitus, alles stroomt. ‘De rivier’, herinnert de verteller zich over de Rijn, ‘betekende beweging, verwarring en onvoorspelbaarheid in een wereld die naar orde streefde.’ Die zucht naar orde is een bron van wantrouwen. ‘Er werd’, vertelt ze over haar kinderjaren, ‘aan de lopende band afgebroken, uitgegraven, geëgaliseerd, en alles wat tot het foute verleden behoorde, werd met een ondoordringbare korst bedekt.’ Dat gegeven keert in de roman steeds terug: de destructieve kant van onze drift tot ordening. Als tegengif, zo houdt Kinsky ons voor, loont het om onbestemdheid te herwaarderen: dat dierenvel, een armzalig elzenbosje, de lichtval onder een viaduct.

Voorzichtig optimisme

Juist in de stroom van de tijd, in die onbestemdheid, weet de verteller zich te hervinden. In de laatste hoofdstukken breekt een voorzichtig optimisme door. De lente kondigt zich aan. In Springfield Park lukt het de koning zowaar een vlucht te maken met de raven, zij het kort. ‘Toen viel hij languit op de grond.’ Al wandelend komt de verteller ten slotte bij de plek waar de Lea in de Theems stroomt. Ze is dan al, weet de lezer, bezig een nieuwe verhuizing voor te bereiden, weg uit Londen. De periode van parkeren is voorbij: haar leven kan weer in beweging komen.

In een van de laatste hoofdstukken zien we haar op de pier van Eastborne, aan de oostkust, die een volle mijl in de monding van de Theems steekt. Het is avond. Ze kijkt uit over de duisternis die op de vloed ligt. ‘Er begon hier niets en er eindigde niets’, constateert ze. ‘Dit hier was het midden dat nooit stilstond.’ Ze stelt het vast zonder verkramping, nuchter, feitelijk en kalmerend, en vindt moed in de onbestemdheid die ze al wandelend heeft leren begrijpen: een les die ze kreeg van de rivier.

Kinsky’s roman is een genereuze gift voor de geduldige lezer. Het loont om aandachtig te lezen, elke zin, elke alinea en elk hoofdstuk. Zo krijgt het boek zelf iets van een rivier, van een gestage stroom die een eigen tempo heeft, dwingend, zodat er weinig anders op zit dan je mee te laten voeren. Eenmaal meegevoerd komt de beloning met een dosis literair plezier die tot slot expressie vindt in de diepe zucht van voldoening waarmee het boek wordt dichtgeslagen.

Esther Kinsky: Langs de rivier – Terreinroman. Uit het Duits vertaald door Josephine Rijnaarts. Pluim; 398 pagina’s; € 23,99.

Meer over