Laat mij maar rommelen

Ze zal zich 2005 blijven herinneren als het jaar waarin ze schrijfster werd. `Nu pas, na mijn derde boek, durf ik mezelf zo te noemen`, zegt Annejet van der Zijl (1962)....

Een succes fou, dat kun je wel zeggen. Zelden heeft een Nederlands boek een zo stormachtige zegetocht gemaakt als Sonny Boy. Het succes van haar vorige boek, Anna (2002), de goed ontvangen biografie van Annie M.G. Schmidt, steekt er zelfs bleekjes bij af. Het is wel wennen, die nieuwe status, zegt Annejet van der Zijl. Vooral omdat er in haar dagelijks leven eigenlijk weinig veranderd is. Ze kruipt nog steeds elke ochtend gewoon achter haar bureau. Ze woont nog altijd op haar kleine zolderetage in Amsterdam. Van het geld dat ze verdiende met Anna kocht ze haar eerste autootje. `Nou, dacht ik, die heb ik dan in ieder geval. Zo basic is het, en zo basic wil ik het houden. Het is prachtig, al die aandacht, maar ik wil er ook weer buiten kunnen. Ik wil me vrij blijven voelen.`

Een avond rustig thuis doorbrengen is er nauwelijks meer bij. Vele tientallen lezingen gaf ze de afgelopen jaren, in bibliotheken, op scholen, in theaters. De kleine stoffige zaaltjes, met veertig klapstoelen, zijn haar het liefst; dat publiek is te overzien. `Maar als ik zo`n theater binnenkom, waar driehonderd mensen verheugd en verwachtingsvol naar me opkijken, voel ik me wel vreemd. Kom zeg, denk ik dan, ik ben Jomanda niet.`

Ook in haar sociale leven veranderde het een en ander. `Voor je familie en vrienden is het ook raar, die plotselinge roem. Ik was altijd iemand die er niet zo erg toe deed, en voelde me daar prettig bij. Het maakte niet zoveel uit of ik wel of niet op een feestje kwam, of hoelang ik bleef. Nu wel. Kennelijk leg je ineens meer gewicht in de schaal.`

Maar de gelukkige momenten overheersen. `Na afloop van lezingen komen mensen naar mij toe, onderduikkinderen van weleer, die dankbaar zijn dat ik het verhaal heb opgeschreven dat ook hun verhaal is. Een vrouw zei tegen me: door jouw boek weet ik nu door wie mijn broertje en ik gered zijn. Dat is ontroerend. Waldy, de zoon van Rika en Waldemar Nods, de hoofdpersonen in het boek, zei: je hebt me mijn ouders teruggegeven. Het is heerlijk dat je als schrijver de macht daartoe hebt. Ik ben blij dat ik mijn geld kan verdienen met iets wat ik graag doe. Ik voel me een geluksvogel.`

En dat terwijl Sonny Boy begon als `iets kleins`, een project waarmee Van der Zijl zich even hoopte los te maken van alle drukte die de publicatie van Anna in 2002 met zich meebracht. `Iets voor mezelf, zo zag ik het. Ik wilde eventjes weg uit dat stalen fort van feiten dat een biografie is. Weer vrij vliegen, in mijn hoofd, en in mijn manier van schrijven. Ik moest mensen verleiden het verhaal over deze onbekenden te lezen, ik moest ze door de stijl het verhaal in trekken. Bij een klassieke biografie zit de aantrekkingskracht al in de roem van de hoofdpersoon.`

Het verhaal van Waldemar en Rika kende ze al heel lang; een vriendin had haar ooit de hartverscheurende geschiedenis verteld van de grootouders van haar man. Niemand had hoge verwachtingen van dit boek, de schrijfster niet, haar uitgever niet, en de mensen die in het boek voorkomen evenmin. De vrouw van Waldy Nods maakte zich zorgen over al het werk dat nodig was om uit te zoeken wat er precies met haar schoonouders gebeurd was. Ze zei: `Het is erg lief, Annejet, dat je dit allemaal doet. Maar zou iemand dat nou willen lezen?`

Van der Zijl laat zich bij haar onderwerpkeuze uitsluitend leiden door haar eigen nieuwsgierigheid. En dat is maar goed ook. Ze heeft een neus voor goede onderwerpen. De hoofdpersonen van haar non-fictieboeken lopen opvallend uiteen: de kinderkoningin van Nederland, een vergeten dichteres, twee anonieme mensen die omkwamen in de oorlog. En nu is Annejet van der Zijl, samen met researcher Ruth Nederveen, druk bezig met een biografie over Bernhard, prins der Nederlanden. Eind volgend jaar moet het boek verschijnen bij uitgeverij Pimento.

Die verscheidenheid aan onderwerpen en levenssferen wekt weleens bevreemding. In 1998 publiceerde Van der Zijl haar eerste boek, Jagtlust, over een groep schrijvers en kunstenaars die eind jaren vijftig leefden en feestten op het vervallen landgoed van de dichteres Fritzi Harmsen van Beek in Blaricum. `Toen ik eraan begon, zeiden mensen: zou je dat nu wel doen? Zijn er geen interessantere kunstenaarskolonies? Ik besloot de biografie van Annie M.G. Schmidt te schrijven en weer kreeg ik te horen: zou je dat wel doen - er is al zoveel bekend over die vrouw.

`Bij Sonny Boy was het: nee hè, alweer een boek over de oorlog. En nu ik met Bernhard bezig ben, is het commentaar aangezwollen tot een waar koor dat roept: doe het niet, je bent de zoveelste!` Ze trekt zich niet veel meer aan van die raadgevingen. `Laat mij maar rommelen, of een boek lukt, weet je toch nooit van tevoren.`

Toen Van der Zijls boeken, in oplopende mate, een succes bleken, waren de reacties precies tegenovergesteld. `Na Jagtlust wilde iedereen me weer een boek laten schrijven over een leuke kunstenaarskolonie. Na Anna werd ik belaagd met voorstellen over andere beroemde schrijvers een biografie te maken. En ja, nu was er natuurlijk hoop op een nieuwe Sonny Boy. Mensen willen je steeds hetzelfde kunstje laten doen. Maar dat zou, gek genoeg, voelen als een soort ontrouw aan mijn hoofdpersonen.`

Als haar boeken één ding gemeen hebben, is dat ze gaan om mythen, waarachter een menselijk verhaal schuilgaat. `Dat was met Jagtlust zo, en met Annie - een bordkartonnen heldin. Rond jodenhelpers, zoals Waldemar en Rika, zweefde ook een mythe: het zouden onverschrokken helden zijn, met zo`n nobele blik in de ogen.`

Veel lezers zijn onthutst als de werkelijkheid over onderduikers en kampen afwijkt van het cliché, ontdekte Van der Zijl. `In een film zie je al in de eerste shot aan een personage dat hij de verrader is, of de dappere verzetsheld. Dat voelt comfortabel.` De werkelijkheid is minder eenduidig, en minder heldhaftig. `Jodenhelpers als Waldemar en Rika waren dapper, maar ze verdienden ook gewoon geld aan die onderduikers. Dat geld hadden ze hard nodig.`

Met zo`n ontnuchterende vaststelling wilde Van der Zijl die twee mensen niet van hun voetstuk duwen. `Hun heldhaftigheid zit voor mij vooral in de manier waarop ze voor elkaar kozen en hun liefde overeind hielden. En op het moment dat ze werden opgepakt, hebben ze de enige juiste keuze gemaakt: niks zeggen.`

Dagenlang worstelde ze zich door stapels politiedossiers over de zogenoemde jodenzaken. `Niet echt een plezierige taak. Je komt dan briefjes tegen waarin staat: Mijn buurvrouw heeft mensen op zolder.“ Wat me opviel, is hoeveel mensen die waren opgepakt gewoon vertelden wat ze wisten en weer naar huis mochten. Wij zeggen nu: verraders! Maar net zoals de gedeserteerde SS`er in mijn boek zullen ze vaak helemaal niet in de gaten hebben gehad welke consequenties hun loslippigheid had.`

Ze koos voor het verhaal van Waldemar en Rika, omdat deze mensen op twee manieren door de geschiedenis werden ondergeschoffeld: door de grote geschiedenis van WO II, maar ook door de kleine, hun familiegeschiedenis. Als zwart-blank echtpaar, zij een gescheiden vrouw met vier kinderen, zeventien jaar ouder dan hij, vormden ze een eilandje in een vijandige wereld.

`Ook daarom wilde ik ze graag weer tot leven brengen`, zegt Van der Zijl. `Naarmate ik ze gedurende mijn onderzoek beter leerde kennen, ging ik meer van ze houden. Ik voelde me verantwoordelijk voor hen en wilde hun verhaal recht doen. Daarom is Sonny Boy voor mij, ondanks het verdrietige einde, toch een hoopgevend boek. Er verdwijnen voortdurend mensen onder het puin van de geschiedenis, maar deze twee zijn tenminste van de vergetelheid gered.`

Als je schrijft over anderen, zegt Van der Zijl, leid je twee levens: dat van jezelf en dat van je onderwerp. `Mijn leven is heel plezierig, maar niet zo groots en meeslepend als dat van de mensen die ik beschrijf. Ik identificeer me niet met mijn hoofdpersonen, ik leef met hen. Dat andere leven draag je voortdurend met je mee. Dan loop je soezerig naar de supermarkt, nog helemaal in het verhaal. Maar toen ik met Sonny Boy bezig was, kwam dat tweede leven heel dichtbij, vooral toen ik over de oorlogsperiode schreef. Hun verhaal nam mijn eigen leven haast over.`

Dat zal haar, denkt ze, met Bernhard niet snel overkomen. Het zal geen dromerig boek worden, zoals Sonny Boy. `Bernhard was natuurlijk een totaal ander soort mens. Een echte man - dat vind ik wel een uitdaging, of het me lukt iemand met wie ik zo weinig gemeen heb op papier tot leven te brengen. Bijna altijd is er over hem geschreven door Bernhard-volgelingen of Bernhard-haters. Hij is een schurk of een held.

`Zelf heeft hij het nodige bijgedragen aan de mythevorming. Door de eendimensionale manier waarop hij soms over zichzelf sprak: als over een stripheld bijna. Maar er moet toch ook gewoon een mens achter zitten? Wij zijn de eerste vrouwen die over hem schrijven. Ons gaat het niet in de eerste plaats om wat hij deed, maar om wie hij was - om de man die verstopt zit in dat woud van heldenverhalen, sensatie en complottheorieën.`

Met z`n tweeën werken aan een boek is nieuw voor Van der Zijl, en het bevalt goed. Nederveen doet voornamelijk de research, Van der Zijl schrijft en interpreteert; samen bepalen ze de grote lijnen. `Het is zoveel werk, in mijn eentje was ik er nooit aan begonnen. Ruth is een geweldige researcher, net wat stoutmoediger en doortastender dan ik - en dat is als je royalty onderzoekt heel handig. Zij vindt het weer fascinerend te zien hoe uit de puzzelstukjes een verhaal ontstaat. Soms ga ik mee, naar Duitsland bijvoorbeeld. Het is ook gewoon gezellig; we bellen elkaar opgewonden op om een vondst te melden.`

Van der Zijl heeft het idee dat ze Bernhard steeds scherper in het vizier krijgen. Er doemt een verhaal op. `Het is het verhaal over hoe het zover heeft kunnen komen, over de verhouding van zo`n man tot een land als Nederland. Boeiend aan dit leven is dat hij de wereldgeschiedenis van de voorbije eeuw van heel nabij heeft meegemaakt - zo woonde hij in 1929 maar een paar blokken bij Hitler vandaan. Het is leuk om bij oude Duitse prinsen op bezoek te komen en te horen hoe zo`n familie leefde, hoe dat feodale systeem werkte, wat voor jongens zulke kringen voortbrachten. Dat verklaart veel van de manier waarop hij in de wereld stond.`

In haar Annie M.G. Schmidt-materiaal vond ze alvast iets moois, in een brief die ze in 1937 schreef aan haar moeder. `Ik heb vandaag het koninklijk gezin twee keer gezien`, schreef Annie. `De koningin lachte, de prinses keek sip en Benno grijnsde zoals altijd van top tot teen. Het is net alsof hij denkt: belazeren jullie mij maar, ik doe het jullie ook.`

Dat had ons aller Annie goed gezien, vindt Van der Zijl. `In het leven van de volwassen man die hij naast Juliana werd - een man die misschien domme dingen deed - zie je steeds weer het jongetje dat hij was, en de adolescent die lol maakte met zijn adellijke vriendjes in het Duitsland van de jaren twintig. Dat is waar het ons om gaat. Voor ons is de biografie per se niet geslaagd als er weer een onecht kind uit de bus rolt.`

Wordt het nu, na al die levens van anderen uiteengerafeld te hebben, niet eens tijd over haar eigen leven te schrijven? Annejet van der Zijl schudt gedecideerd het hoofd. `Nee, dat zou me te saai zijn. Over mezelf praten doe ik wel met vriendinnen in het café.` Schrijven is voor haar vooral escapisme, wegduiken in werelden die ze niet kent. `Toen ik opgroeide, vond ik de wereld een chaotische plek; ik miste de samenhang in alles.`

Nu zoekt zij de samenhang in de geschiedenis. `Er is een mooi Engels spreekwoord: truth is the daughter of time. Dat is bijna een motto voor wat ik doe. Als je geduldig alle puzzelstukjes die samen het verhaal vormen over een periode of over een mensenleven, in elkaar schuift, dan zie je pas wat er echt aan de hand was. Je brengt orde aan in wat is geweest. Zo kom je dichter bij de waarheid. Het liefst wil ik die werkelijkheid, nadat ik erover geschreven heb, rustiger en overzichtelijker achterlaten dan dat ik hem heb aangetroffen.`

Enkele jaren geleden was Annejet van der Zijl in Marrakech. Ze kwam terecht op het grote centrale plein, waar `s avonds een drukte van belang heerst. `Het was een warreling van kleuren en geluiden: verkopers, muzikanten, mensen met aapjes - iedereen vocht om aandacht. Maar her en der in de menigte waren stille, donkere plekken - daar zat iemand te vertellen, heel rustig, met om hem heen een haag van toeschouwers die ademloos luisterden. Toen ik dat zag, dacht ik: ja, zo`n rol wil ik wel hebben. Dat ben ik. Een verhalenverteller.`

Meer over