Laat King maar horror schrijven

Met zijn roman Lisey's Story wil Stephen King bewijzen dat hij meer is dan een auteur van populaire griezelverhalen. De vraag is waarom hij daarbij tegen zijn eigen geboden zondigt....

Een groep mopperende treinreizigers strandt op een onbemand stationnetje in de wildernis van Wyoming. Het is koud, de avond valt, en of er een volgende trein komt is nog maar de vraag. Terwijl in de heuvels een wolf een akelig gehuil aanheft, besluit David, een doenerig type uit Chicago, te voet op zoek te gaan naar een nabijgelegen dorp. . .

Stephen King had het zelf misschien anders gewild, maar mét de Playmate van de Maand (de ravissante miss Kia Drayton) vormt zijn verhaal ‘Willa’, waarvan bovenstaande passage het begin vormt, de trekker van het decembernummer van de Amerikaanse Playboy.

Nu is dat een periodiek waar geen schrijver zich voor hoeft te schamen (tussen het opgepoetste bloot van december duiken ook de literaire kopstukken Gore Vidal, Ishmael Reed en David Mamet op), maar toch is het voorstelbaar dat King juist met dit verhaal honderd keer liever in de nette Paris Review of New Yorker dan in het wat zweterige lijfblad van Hugh Hefner had gestaan.

De 59-jarige ‘American master’, schepper van meer dan veertig romans met een oplage van driehonderd miljoen exemplaren, probeert zich namelijk te ontworstelen aan zijn reputatie van koning van het griezelverhaal. Zie zijn jongste roman Lisey’s Story, die weliswaar vertrouwde horrorelementen bevat, maar in zijn verwijzingen naar onder anderen D.H. Lawrence, Thomas Pynchon en Jorge Luis Borges wil demonstreren dat de auteur zijn klassieken kent en niet langer als producent van louter sensatieverhalen wil worden gezien.

Voor die reputatie heeft King in 1973 zelf het fundament gelegd met Carrie, een grand guignol-achtige vertelling over een muurbloem die ontdekt dat ze over telekinetische gaven beschikt en verandert in een furieuze wraakgodin. Na het onvoorziene succes van Carrie (King kreeg 2500 dollar voor het manuscript, de paperbackrechten leverden vierhonderdduizend dollar op) volgde in hoog tempo een reeks vergelijkbare bestsellers: vakkundig geregisseerde confrontaties van het alledaagse en het bovennatuurlijke, met een doorgaans bloederige afloop.

IJzingwekkende verfilmingen door onder anderen Brian De Palma (Carrie) en Stanley Kubrick (The Shining) verspreidden Kings faam als connaisseur van onderdrukte angsten en fascinaties, met een griezelig precies gevoel voor wat duister en toch onmiddellijk herkenbaar is. Onalledaagse trekken vertoonde van meet af aan ook Kings werklust, die de productie van notoire veelschrijvers als Georges Simenon naar de kroon steekt.

Een door fanatieke King-fans samengestelde bibliografie van zijn verspreide non-fictie – afgezien dus van die veertig vuistdikke griezelromans en verdere scenario’s, toneelstukken, gedichten – telt bijna zeshonderd pagina’s. Stephen King – The Non-Fiction (Cemetery Dance Publications, verschijnt in 2007) getuigt van een maniakale schrijfdrift, die een uitweg zoekt in columns, recensies, essays, ingezonden brieven en hoesteksten -­ tot menusuggesties en verslagen van honkbalwedstrijden aan toe.

In zijn autobiografische boek On Writing (2000) heeft King een en ander over de aard van zijn discipline onthuld: een aanzienlijk deel van zijn oeuvre, biecht hij op, heeft hij er in een roes van alcohol, pillen en cocaïne uitgegooid. Tijdens het schrijven van de roman Cujo (waarin een lobbes van een sint-bernard een killer wordt) ging er zo veel drank doorheen –­ aan bier alleen al ‘a case of sixteen-ounce tall boys a night’ – dat hij zich later weinig meer van de periode herinnert. ‘I like that book. I wish I could remember the good parts as I put them down on the page.’

Vijf jaar later gaan de drank en pillen vergezeld van een dagelijkse dosis cocaïne. Tommyknockers (1987) schrijft hij met proppen watten in zijn neusgaten om de door het snuiven veroorzaakte bloedingen te stelpen. Voor hij ’s nachts dolgedraaid in bed tuimelt, spoelt hij eerst de resterende blikken bier door de wc – anders moeten die ook nog op.

Dat hij er juist in deze periode een aantal romans uitperst over een met zijn demonen vechtende schrijver, lijkt hem achteraf geen toeval. Evenmin kan hij ontkennen dat de op zijn vrouw inhakkende Jack Torrance uit The Shining hem achteraf sterk aan zijn alcoholische zelf doet denken. In Misery (fraai verfilmd met James Caan en Kathy Bates in de hoofdrollen) wordt een succesauteur gegijzeld door de ogenschijnlijk liefdevolle verpleegster Annie Wilkes, zijn ‘number one fan’. ‘Annie was coke, Annie was booze’, schrijft King in 2000, nadat zijn vrouw Tabitha hem hardhandig met zijn verslaving heeft geconfronteerd en hij met veel moeite de drank en dope heeft afgezworen.

Verbazingwekkend is hoe Kings productiviteit zowel tijdens als na die delirische fase op peil blijft. Hij publiceert minstens één roman per jaar, toert als ritmegitarist met The Remainders – een voor de lol met collega-schrijvers geformeerde popgroep met lead-gitarist Dave Barry, Barbara Kingsolver en Mitch Albom op keyboards, Robert Fulghum op mandoline en Amy Tan en Tabitha King in het achtergrondkoortje – en investeert een aanzienlijk deel van zijn vermogen in goede doelen. Hij wordt eigenaar van het onafhankelijke radiostation WKIT in Bangor, Maine en richt samen met zijn vrouw The Haven Foundation op, een organisatie die zich onder meer inzet voor door de orkaan Katrina getroffen schrijvers.

Zijn werkdrift krijgt pas echt een knauw als hij op een zomerdag in 1999 bij zijn huis in Maine wordt geschept door een over de weg zwalkende bestelbus. Hij loopt een schedelfractuur op, een verbrijzelde heup, vier gebroken ribben plus een op negen plaatsen gebroken been en balanceert een tijd op de rand van de afgrond. Na tien maanden is hij weer enigszins in staat te werken.

Als hij in On Writing de toedracht van het ongeval reconstrueert, blijkt opnieuw hoe soeverein het schrijversoog is waarmee King zichzelf en de wereld beziet. Wat begint als een eenvoudige situatieschets van Route 5 tussen Bethel en Fryeburg in West-Maine, met een nietsvermoedende wandelaar in de berm en een aanstormende bestelbus, mondt vanzelf uit in een bloedstollend Stephen King-verhaal. Daarin wordt de half-criminele aso achter het stuur van de ‘light blue Dodge’ afgeleid door zijn rottweiler Bullet, die in de koelbox met vers vlees op de achterbank zit te wroeten. Als de schrijver een split second later halfdood op het asfalt ligt en de aanstichter met zichtbare tegenzin poolshoogte komt nemen, lijkt de griezel het vooral domme pech voor zichzelf te vinden.

On Writing, het eerste boek dat King na zijn revalidatie publiceert, is een niet te missen signaal van zijn ambities. Afgezien van de openhartige autobiografische inleiding biedt het een verzameling behartigenswaardige schrijfadviezen, deels gebaseerd op het klassieke The Elements of Style van Strunk en White, maar verhelderd door aansprekende voorbeelden uit Kings eigen praktijk, compleet met kopieën van door zijn redacteuren verbeterde manuscripten. De auteur besluit met een lijst verantwoorde leestips: Don DeLillo, Pat Barker, Cormac McCarthy, Michael Ondaatje, Evelyn Waugh, Annie Proulx. Hoezo, pulpschrijver?

De roep om erkenning blijft zowaar niet zonder gevolg: drie jaar later wordt Stephen King de Medal for Distinguished Contribution to American Letters toegekend, een prestigieuze onderscheiding van de National Book Foundation die in voorgaande jaren onder meer toeviel aan grootheden als Philip Roth en Arthur Miller. In zijn dankwoord prijst King de Foundation voor zijn moed een schrijver te bekronen ‘die volgens velen een rijke broodschrijver is’.

Dat uitgerekend de eminente Harold Bloom, hoogleraar aan Yale, auteur van The Western Canon en Shakespeare: the Invention of the Human, de feestvreugde komt verpesten, moet er bij King hebben ingehakt. ‘Een nieuw dieptepunt in het schokkende proces van afstomping van ons culturele leven’, fulmineert Bloom in een veel geciteerde reactie in de pers. ‘Ik heb King in het verleden een schrijver van stuiverromans genoemd, maar zelfs dat is misschien nog te vriendelijk uitgedrukt.’ Met Kings onderscheiding heeft het bestuur van The National Book Foundation volgens Bloom slechts ‘de commerciële waarde’ beloond van boeken ‘die de mensheid weinig meer opleveren dan dat ze de uitgeverswereld draaiende houden’.

King likt zijn wonden en zet met Lisey’s Story alles op alles om zijn gelijk te bewijzen. De door Scribner in een eerste druk van 1,1 miljoen exemplaren opgelegde roman vertelt het verhaal van Lisey Debusher, de toegewijde weduwe van de succesvolle, met een Pulitzerprijs (hij wel) onderscheiden horrorauteur Scott Landon.

Twee jaar na diens voortijdige dood ontdekt Lisey dat haar man zijn stof niet ontleende aan zijn verbeelding, maar aan zijn vermogen daadwerkelijk door te dringen in een bovennatuurlijke wereld, waar schoonheid en gruwel hand in hand gaan. ‘Ik heb waanvoorstellingen en visioenen’, zegt Landon. ‘Ik schrijf ze op; dat is alles. Ik schrijf ze op en mensen betalen me om ze te kunnen lezen.’

De hoofdstukken waarin King de bronnen van Landons visioenen preciseert, zijn subliem: angstaanjagend proza dat de spanning pagina na pagina vasthoudt. Maar doordat de auteur elders zo enorm zijn best doet literatuur te bedrijven (zie het ‘Author’s Statement’ met Shakespeare-citaat) en tussendoor ook nog een omstandig psychologisch portret van een gelukkig schrijvershuwelijk schildert (dank u, Tabitha), is de eindsom een quasiliterair onding dat zondigt tegen alle geboden van zijn eigen stijlgids On Writing.

Laat Harold Bloom zijn Shakespeare koesteren en Stephen King zijn horror schrijven. Het is erg genoeg zoals het is: ‘Hell is empty, and all the devils are here.’

Meer over