La & Palmen

Als er één ding bepalend is voor onze tijd, dan is het het narcisme. Ik word er in ieder geval geheel door in beslag genomen, en weet ook waarom; mijn bestaan moet bevestigd worden, gekend en herkend, en daar heb ik anderen voor nodig, vrienden, broers, een moeder en uiteindelijk...

Natuurlijk zijn er mensen die geloven dat ze het allemaal uit zichzelf kunnen halen, die vasthouden aan het idee dat ze onafhankelijk zijn en autonoom functioneren: ze denken dat zij zelf de wetten maken (autos: zelf, nomos: wet) zonder in te zien dat het omgekeerd werkt, dat het de wetten zijn van Dood en Liefde, Schuld en Boete, die hen bepalen. En de Rouw, altijd weer de Rouw.

De eigenlijke narcisten zijn de gestoorden die het nog niet weten en zich in de illusie van hun bescheidenheid koesteren.

Mijn narcisme, het narcisme van deze tijd, is eerlijk in zijn bedoelingen, draait er niet omheen, geeft zichzelf toe, en is daarom geen ziekte maar de overwinning daarvan: ik wil gevuld en gevoed worden omdat ik leeg ben, zeg ik, zegt iets in mij, en ik weet dat het goed is zo, ik weet dat ik de wetten ten uitvoer breng die door en in mij werken.

Dit zijn mijn woorden, maar het is niet mijn toon, mijn stem. Die heb ik voor de gelegenheid even geleend van Connie Palmen. Het is dus een parafrase, of beter gezegd een travestie-act. Vooral aan het zinnetje 'Als er iets bepalend is voor onze tijd, dan is het het narcisme', naadloos gevolgd door 'ik word er in ieder geval geheel door in beslag genomen', heb ik veel plezier beleefd.

Ik stel me zo voor dat een man die voor het eerst van zijn leven lipstick op zijn mond smeert, een rokje over zijn veel te smalle heupen trekt en zich probeert voort te bewegen op iets hoogs en wiebeligs, eenzelfde sensatie ondergaat. Hij weet dat hij nog steeds dezelfde man is, maar toch is hij iemand anders geworden. Het werkt op je lachspieren, tenminste als je geen doorgewinterde travo bent, je begint ervan te giechelen, ondeugend en ook een beetje schuldbewust, omdat je je zelfbeeld hebt ingeruild voor dat van een ander.

Ik vier geen carnaval dit jaar, en dat is nauwelijks een confessie want dat doe ik andere jaren ook niet, maar die Palmen-zinnen uit mijn pen komen nog het dichtst in de buurt van zo'n verkleedpartij.

Wat is er zo anders? We delen tenslotte dezelfde Nederlandse taal, beroepen ons op een soortgelijke syntaxis en grammatica, al heeft Palmen er een handje van te geloven dat de vorm vanzelf volgt, zolang het Gevoel maar goed zit.

De zin op de eerste pagina van I.M. is daar een treffend voorbeeld van: 'Terwijl ik al jaren rondloop met het halsstarrige idee dat Ischa Meijer en ik elkaar op een dag zullen ontmoeten en dat er dan iets gebeurt, iets, ik weet niet wat, denk ik dat de tijd er nog niet rijp voor is en ik zeg naar waarheid tegen de producer dat ik op de ochtend van die dag al een afspraak heb met een journaliste van Elsevier, dat het me te veel wordt en ik 's middags niet ook nog eens naar Eik en Linde kan komen.'

Zelfs wie van stapelzinnen houdt, moet toegeven dat een blokkentoren ook echt kan omvallen. Hetzelfde geldt voor de parlandotoon: die werkt als je iets belangrijks wilt zeggen op achteloze wijze, maar de combinatie onbelangrijk en achteloos ('Elsevier, Eik en Linde') doet hier weinig goed.

Laat ik voorop stellen dat ik sympathiek sta tegenover Palmens project. Er zijn mensen die geloven dat je alleen literatuur schrijft als je de ik-figuur Waldo van Reindenkers noemt, die veel in een café zit, genaamd Oeverloos, waar zich dan de ene na de andere fantastische scène zal afspelen. Ik heb daar zo mijn twijfels over. Het moet mogelijk zijn over 'ik' te schrijven en vooruit, over Eik en Linde (al is dat op het randje) zonder je toevlucht te nemen tot andere verkleedattributen: minnaressen die Dieudonnée heten, en vaders die meer van hun zoon dan van hun dochter houden. Ik noem maar wat onwaarschijnlijkheden. De transformatie zit 'm, als het goed is, in de taal zelf, de geschreven werkelijkheid die formeel is en nooit contingent.

Dus het feit dat Connie Connie heet in I.M., en Ischa Ischa, of Izzy of Is, dat stoort me niet. Die onverholenheid legt de schrijver wel een verplichting op: hij moet laten zien dat zijn geschreven ik, dat verdacht veel lijkt op zijn alledaagse ego, niet één geheel is, maar verbrokkeld en tegenstrijdig. Fantasie is voor schrijvers die denken dat blote feiten opsmuk behoeven, omdat ze anders zo kaal en onliterair zijn.

Ik ben geneigd te denken dat blote feiten nooit tot hun onderbroek zijn uitgekleed, en dat daar het fantastische van schrijven in zit.

Ik citeer nu een zinnetje van Michel Foucault, waarvan ik weet dat Connie Palmen het kent, omdat wij tezelfdertijd filosofiecolleges liepen en ik haar twee banken voor me als een bezetene zag pennen: 'Soms volstaat het niet om te denken wat je denkt, maar is het nodig om te denken wat je ook zou kunnen denken.' Het is een oproep tot meerstemmigheid, tot de romaneske vorm, zo je wilt, en het idee is dat je daar niet meer personages voor nodig hebt dan 'ik'. Een solo, waarin een heel symfonieorkest doorklinkt. Dat is Foucaults advies aan kale, minimale schrijvers; dat is ook de opdracht die Palmen aannam, en vervolgens niet tot een goed einde bracht.

Waarom niet? Omdat zij telkens denkt wat ze denkt. Dat mag soms ongewoon zijn of bizar, en in strijd met wat de meeste mensen denken. Maar het is nooit in strijd met zichzelf. Het is letterlijk zelfgenoegzaam, zoals een aftitelingsrol, die eindeloos herhaald wordt; Connie Palmen starring as Connie Palmen starring as Connie Palmen starring as Connie P...'

Ik doel nu niet op het gebrek aan zelfrelativering bij Palmen. Je kunt daar kort over zijn: het is er niet, het ontbreekt volkomen, ze grossiert in stelligheden en grote woorden, en in het sporadische geval van twijfel geeft zij liever een onsje meer dan minder.

Je kunt daar lacherig over doen maar het is jaloersmakend, en ik wist toen ik mezelf bij bepaalde passages hoorde giechelen dat het van de zenuwen kwam; hier deed iemand wat ik nooit zou kunnen of durven. Of willen - maar dat is hetzelfde.

Zij wordt daarbij gedreven door esthetische opvattingen, die ze deelt met mensen als Joseph Beuys, Martin Heidegger, Wilhelm Reich en Stockhausen, om maar eens een onwaarschijnlijk rijtje te noemen. Die opvattingen komen erop neer dat alles dieper en echter wordt zodra je er bloed en stront bijhaalt. Zogenaamd eerlijke materialen.

Wat mij bevalt aan Palmen is dat ze ernstig is, maar wat ik moeilijk te verteren vind is haar genitale ernst. Het idee dat een verschrikkelijke gebeurtenis nog verschrikkelijker wordt door melding te maken van een opkomende menstruatie. Het ene wordt dan veelbetekenend in verband gebracht met het andere. Het nadeel is dat het verband ontbreekt.

De stelligheden, de grote gebaren, en de zuivel-op-zuivel-aanpak, waarbij van alles veel moet zijn, 'boter, én kaas én reuzel'; het is mijn smaak niet. Maar pijnlijker is dat I.M., voor zover ik het kan zien, niet beantwoordt aan Connie Palmens eigen idee. Het idee van Foucault, dat je je 'ik' op het spel moet durven zetten, desnoods met grote stelligheid.

Dat gebeurt nergens in het boek, en dat is denk ik de tragiek van alle grote narcisten, van Connie Palmen net zo goed als van Harry Mulisch: ze zijn als geen ander in staat een geweldig personage te creëren, maar omdat ze dat zelf zijn, heb je eigenlijk een andere schrijver nodig om het boek tot een goed einde te brengen.

Meer over