L'Homme qu'on aimait trop is op alle gebieden onbevredigend

Floortje Smit
null Beeld Filmstill
Beeld Filmstill

Zijn naam betekent 'lammetje'. Maar zo ziet Maurice Angelet er helemaal niet uit, merkt Agnès Le Roux flirterig op als ze de advocaat van haar moeder ontmoet.

Opletten dus, met die man - Le Roux zegt het zelf. En toch valt ze in L'homme qu'on aimait trop niet alleen als een blok voor zijn ongrijpbare charmes, maar ook spant ze met hem en zijn maffiaconnecties samen om haar moeder, de eigenaar van een casino, te verraden. Met mogelijk fatale afloop.

Voor L'homme qu'on aimait trop liet regisseur André Téchiné (La fille du RER, Impardonnables) zich inspireren door een in Frankrijk geruchtmakende zaak die vanaf de jaren zeventig tot een recente rechtszaak heerlijk tabloidachtig materiaal opleverde: de verdwijning van Agnès Le Roux. Maffia, goudbrocaten casino's, de jaren zeventig, een homme fatal: smullen geblazen.

In zijn film behandelt regisseur Téchiné de smeuïgste zaken droog en gaat hij speculaties uit de weg. Wat prijzenswaardig is, natuurlijk, zeker omdat hij zijn film vooral baseerde op de getuigenissen van de familie Le Roux - broer Jean-Charles schreef mee aan het scenario. Maar het helpt de spanning van de film danig om zeep.

Waar het Téchiné vooral om gaat, is de gevaarlijke driehoeksverhouding tussen moeder (Catherine Deneuve; voor de zevende keer in een van zijn films), advocaat en vertrouweling (Guillaume Canet) en de onberekenbare dochter (Adèle Haenel). De acteurs maken dit bij vlagen een intrigerend schouwspel, maar Téchiné zelf krijgt geen grip op de personages en het verhaal. L'homme qu'on aimait trop zwalkt in twee uur van een gemankeerd moeder-dochter-drama naar een schets van een amour fou en naar een houterige rechtbankfilm die de opmerkelijkste zaken in een aftiteling vermeldt. Het is op alle gebieden onbevredigend.

Meer over