KURT SCHWITTERS

Kurt Schwitters (1887-1948) droeg een keurig pak met een keurig overhemd en een degelijke das - een burgerlijke man, zoals bevriende kunstenaars getuigden....

Kurt Schwitters, de kunstenaar uit Hannover die de beroemde Ursonate en het beroemde gedicht An Anna Blume schreef, was een lange man van twee meter twee.

Kurt Schwitters was een opraapkunstenaar, een bukker. Als hij iets zag liggen op straat, een tramkaartje, een biljet van een miljard Mark, of een entreebiljet van een zwembad of een schouwburg, dan raapte hij het op en dan maakte hij er een collage van. Hij schaamde zich er niet voor om door de stad te fietsen en dingen op te rapen die anderen als afval beschouwen. Hij noemde die manier van doen: Merz.

Dat woord betekent niks, het is gewoon de tweede lettergreep van het woord Kommerz, meer niet. Merz is: iets vinden op straat en daarmee iets maken van internationale allure, een schilderij of een gedicht of een andersoortig kunstwerk. Merz lijkt op dada, maar het is geen dada.

Hier is een voorbeeld: op een schutting in een straat in de stad Hannover stonden de woorden Anna Blume hat ein Vogel. Het was in het jaar 1918 of 1919. Een meisje of een jongen had die woorden op de schutting geschreven. Kurt Schwitters las het en maakte het Merzgedicht An Anna Blume.

Hier zijn de beroemde openingsregels van dat gedicht, in het Nederlands vertaald door Hans Sleutelaar:

O jij, beminde van mijn 27 zinnen, ik hou van jou!

Jij, jouw, je jou, ik jou, jij mij - - - - wij?

Zo vlak na een wereldoorlog zijn zulke woorden geweldig van zachtheid en vrijheid, daarom werd het een beroemd gedicht.

Kurt Schwitters was altijd aan het bukken om dingetjes op te rapen van de straat. Hij was de enige man die echt werk heeft gemaakt van het bukken. Door zijn gebuk is hij beroemd geworden. Of had hij soms een of andere assistent die het oprapen voor hem deed? De dichter Wim Brands zegt dat hij later misschien zo'n assistent had, een man die naast hem liep of fietste en opraapte wat hij aanwees. En hier is nog iets wat Wim Brands zei over Kurt Schwitters: 'Ik liep door mijn straat in een buitenwijk van Amsterdam. In de straat is een transformatorhuisje. Daarop stond met een dikke viltstift de volgende zin geschreven: ''Ik zoek zieke vogels, dank u wel, ik woon in de Knollendamstraat.'' Dat is een gedicht, helemaal klaar en af. Als Kurt Schwitters er niet was geweest, dan hadden wij nooit kunnen zien dat zo'n zin een mooi gedicht is.'

Een vrouw die Kurt Schwitters gekend heeft beschrijft hoe hij door de provinciestad Hannover fietste. Af en toe stapte hij af (met zwaaiend been) om iets op te rapen en dan fietste hij weer verder. Hij droeg een keurig pak met een keurig overhemd eronder en een degelijke stropdas, niks geen extravagantie. Kurt Schwitters was een burgerlijke man, daarover is iedereen het eens. Anne Feddema, een kenner van het leven en werk van Kurt Schwitters en een vertaler van enkele gedichten in het Fries, vertelt het volgende:

'Kurt Schwitters was een vriend van de twee schoenmakers Tijs en Evert Rinsema uit Drachten. Zij waren kunstenaars, de een schreef en de ander schilderde. Zij kenden Schwitters via Theo van Doesburg. In het begin van de jaren twintig kwam Schwitters vaak in Nederland. Als Kurt Schwitters bij de twee broers op bezoek was, zaten ze vaak samen aan de tafel kunstwerken te maken, het vlooienspel te spelen en aardappelen te schillen. Overal waar hij heenging nam Schwitters namelijk een koffer met aardappelen mee en een kookstel om die aardappelen te koken. Hij was geen rijk man.'

Maar hij bezat vijf huizen, dat maakte hem toch een beetje rijk. Hij had de huizen geërfd van zijn vader, die een damesconfectiewinkel had in Hannover. In een van die vijf huizen woonde hij, samen met zijn vrouw, van wie hij hield. Het adres was Waldhausenstrasse 5 te Hannover. In dit huis werkte hij aan zijn levenswerk, de Merzbau, een enorm bouwsel van latjes, schroot, spiegeltjes, wieltjes, kranten, cement, familieportretten, gips, lampjes en lijm, 'veel lijm'.

Kurt Schwitters vermerzte langzaam maar zeker zijn hele huis. Toen hij niet meer in de breedte verder kon, zegde hij zijn huurders op de eerste etage de huur op, zaagde een gat in het plafond en ging op die etage verder. Soms knipte hij een plukje haar van een bezoeker af en verwerkte het in de Merzbau. Ook een peukje kon hij goed gebruiken, en een afgeknipte vingernagel, en een flesje urine, en een gebitsprothese met nog een paar tanden eraan. Bommen vernietigden zijn levenswerk in 1943. Er zijn alleen nog een paar foto's van.

Kurt Schwitters beschouwde de Merzbau als zijn levenswerk, maar het werk waardoor hij pas echt onsterfelijk is geworden is de Ursonate, een klankdicht waaraan hij schaafde van 1922 tot 1932. Hier zijn de beroemde openingsregels van dit klankdicht:

Fümms bö wö tää zää Uu, pögiff, kwiiee.

Het is een wonderlijk mooi en humoristisch klankdicht. Je moet het horen om het te geloven. De schilder en dichter Hans Arp schreef over de uitvoering van Schwitters: 'Met welk een enthousiasme zong, tierelierde, fluisterde, ratelde, en jubelde hij zijn Ursonate! Hij siste, tsjirpte, floot, kirde en er ontstonden werkelijk bovenmenselijke sireneachtige klanken' En de filmer-schilder Hans Richter schreef: 'Bij Schwitters was alles vrij; in zijn geest regeerde de natuur. Geen ressentiment, geen onderdrukte gevoelens. Alles kwam direct uit de diepte omhoog, zonder aarzelen, klaar en af, zoals Athene uit het hoofd van Zeus, fonkelnieuw, noch nie dagewesen.'

Het is waar wat deze twee mannen zeggen. Kurt Schwitters lijkt een vogel op een tak in de vroege ochtend als hij zijn Ursonate voordraagt, zo vrolijk en helder en ontroerend is het.

Kurt Schwitters heeft zijn sonate zelf in een studio op grammofoon laten vastleggen. Deze uitvoering kwam pas in 1993 boven water, 45 jaar na Schwitters' dood. De componist Dick Raaijmakers vertelt hoe die uitvoering boven water kwam in Nederland. Raaijmakers: 'In 1964 begonnen Jan Boerman en ik een studio voor elektronische muziek in Den Haag. Ik kende in die tijd een wonderlijke figuur die Jaap Spek heette. Hij was een geniale man, die ver vooruit was op het gebied van de experimentele muziek. Hij was een rasspeurder. Hij werkte als assistent in de Keulse studio van de componist Stockhausen. Hij kwam regelmatig naar Den Haag met nieuwe muziek uit Duitsland. Dan mocht ik van hem kopieën maken.

'Een van de dingen die hij in die tijd meebracht was de complete Ursonate, uitgevoerd door Kurt Schwitters. Ik maakte er een kopie van en enkele kopieën voor mijn studenten, onder wie Michel Waisvisz. Het was iets ongelooflijks. Zoiets hadden wij nog nooit gehoord! Maar wisten wij veel wie Kurt Schwitters was. Jaap Spek, noch ik, noch een van mijn studenten wist wie Kurt Schwitters was.

'Ondertussen waren allerlei kenners van Schwitters naarstig op zoek naar die complete uitvoering van de Ursonate. Er bestond wel een grammofoonplaat waarop Kurt Schwitters het derde deel van de Ursonate voordroeg, maar dat was alles dacht men. Een van de speurders was de Amerikaanse Jack Ox. In 1992, na een speurtocht van vele decennia, kwam zij toevallig bij Michel Waisvisz terecht, en die zei: ''O, maar die uitvoering heb ik hier in de kast staan hoor.'' En hij haalde de kopie te voorschijn die ik indertijd gemaakt had. Zelfs Schwitters' zoon Ernst, die zijn nalatenschap beheerde, kende die uitvoering niet. Aanvankelijk wilde Ernst Schwitters er niks van weten, er waren al te veel oplichters en vervalsers bij hem geweest. Maar op zijn sterfbed, in 1992, stond hij Jack Ox eindelijk toe de opname te laten horen. De tranen sprongen in zijn ogen. Hij zei: ''Inderdaad, dat is mijn vader.'' Maar hoe Jaap Spek indertijd aan die uitvoering is gekomen, dat blijft een raadsel.'

Naast zijn Ursonate heeft Kurt Schwitters nog vele andere teksten geschreven - klassieke gedichten, Merzgedichten en klankgedichten. Een van zijn mooiste gedichten heet Kleines Gedicht für grosse Stotterer, klein gedicht voor grote stotteraars, uit 1934. Hans Sleutelaar heeft het vertaald en hier is zijn vertaling:

Klein gedicht voor grote stotteraars

Een visgr, vis, een vevevevevisgraat

Lag op de op, lag op de klip.

Hoe kwam het, kwam, hoe kwam, hoe kwam het

Daar, daar, daar?

De zee heeft zee, de zee, die heeft het

Daarheen, daarheen, daarheen ge spoeld,

Daar llllligt het, ligt, daar llllligt het

Heel goed, zelfs heel goed!

Er kwam een vis, een vevevevevis, een veveveveveve -

veveveveveve (schril fluitje) veve veve veve

vevevisser,

Die vriste, viste verse vis.

Die nam hem, nam, die nam, die nam hem

Mee, die nam hem mee.

Nu llllligt de, ligt, nu llligt de klip

Helemaal zo zo zo zonder visgr vis graat

In de wijde, wijd, in de we wereldzee

Zo naakt, zo vrevre vreselijk naakt.

'Heel goed, zelfs heel goed' - alleen een stotteraar kan zo'n overbodige zin bedenken, eenvoudigweg omdat een stotteraar weet dat hij juist zo'n overbodige zin zonder stotteren kan uitspreken. Kurt Schwitters heeft dat goed gezien.

Kurt Schwitters noemde zijn enige zoon: Ernst. Ernst betekent: ernst. Wat een vreemde naam is Ernst voor de zoon van iemand die de hele wereld verulkte! Verulken is een Duits woord. Het betekent: voor de gek houden, ertussen nemen. Het komt van Ulk, wat betekent: grap, lol, gekheid.

Kurt Schwitters in Nederland. Stadsgalerij Heerlen, 9 maart tot en met 8 juni.

Schwitters' uitvoering van de Ursonate verscheen in 1993 op de Wergo-cd 6304-2.

Meer over