Kunstkijkers kunnen glunderen bij Il viaggio a Reims

De ovaties en het gejuich namen een landerig gevoel niet weg.

Slotbeeld uit Il viaggio a Reims. Beeld Clärchen&Matthias Baus
Slotbeeld uit Il viaggio a Reims.Beeld Clärchen&Matthias Baus

Kunstkijkers zullen glunderen bij Il viaggio a Reims, een feestopera van Gioachino Rossini, die bijna twee eeuwen heeft moeten wachten op zijn Nederlandse première. Over het toneel van De Nationale Opera in Amsterdam schuifelt Vincent van Gogh, geplukt uit Zelfportret met verbonden oor en pijp. Ook de infanta van Vélazquez en een Keith Haringpoppetje drentelen rond.

Voor de visuele verzorging van een problematische opera krijgt de Italiaanse decorontwerper Paolo Fantin alvast een tien. Schilderijen en het museumwezen omkaderen dit gelegenheidswerk uit 1825, waarin Rossini de Europese fine fleur parodieert. Die reisde naar Reims voor de kroning van koning Karel de Tiende. Daarna schoof men in Parijs aan voor het muziektheatrale vertier.

De hotemetoten zagen hoe Rossini generaals, lords en gravinnen bij elkaar zette in een kuurhotel, zodat ze gezamenlijk de tocht naar Reims konden aanvaarden. Maar helaas, toen de paarden op waren, zaten ze opgescheept met elkaar. Geestig en vilein verklankte Rossini de verliefdheden en prietpraat van een Parijse modepop, een hitsige Spanjaard, een sappige Poolse weduwe en nog een dozijn andere karakters.

Rond elke opvoering van Il viaggio doemt hoofdpijn op, bijvoorbeeld bij de castingdirecteur. Elke rol verlangt immers een zanger die overweg kan met Rossini's virtuoze geratel en gekweel. En zie als regisseur maar eens een ingang te vinden tot een stuk dat de koning zelf zo schijnt te hebben verveeld, dat hij intensief studie maakte van het Parijse theaterplafond.

Damiano Michieletto, een aanstormende Italiaan, vond zijn sleutel in het geschilderde kroningstafereel van François Gérard uit 1827. Michieletto stuurt de operapersonages niet op weg naar Reims, bij hem koersen ze af op een tableau vivant. In de laatste seconden van de voorstelling vallen ze samen met een reusachtige projectie van de Gérard.

Knap gedaan, maar de ovaties en het gejuich namen een landerig gevoel niet weg. Zitkramp speelde op bij aria's die leiden van niks naar nergens. Geeuwhonger sloeg toe tijdens een ballet van drie marmeren beelden. De kriebels kropen over de rug bij de zoveelste knipoog die vertelde dat de makers dit museumstuk, haha, stel je voor, uiteraard niet serieus namen.

De man die de avond had kunnen redden, droeg in de orkestbak motorlaarzen onder een leren broek. Stefano Montanari: de dirigent deed zijn best te bewijzen dat Rossini ijlde toen hij zijn feestwerk terugtrok en de mooiste noten recyclede in Le comte Ory.

Uit het Nederlands Kamerorkest haalde Montanari sfeervolle vioolveegjes, prikkelende klarinetstootjes en een weergaloze fluitsolo. Op een fortepiano pingelde hij speelse begeleidinkjes. Ook het koor had Montanari in de knip. Maar wat Rossini tot Rossini maakt - listige ritmes, een crescendo dat als een duimschroef wordt aangedraaid - bleef achterwege. Elke solist pakte zijn glanzende of minder glanzende momentje. Solide waren het sextet en het fameuze Gran pezzo concertato, dat Rossini toesneed op de Bartoli's en Pavarotti's van zijn tijd.

Meer over