Kunst over andere kunst is zelden inspirerend

Soms is het ode, of een verwijzing in sfeer, soms wordt er ronduit geciteerd: kunst over kunst.

Rutger Pontzen

Nooit begrepen waarom kunstenaars werk over werk van andere kunstenaars maken. Waarom ze letterlijk beelden van anderen citeren, delen ervan overnemen of in een andere stijl nog eens dunnetjes overdoen. Is het een kwestie van fascinatie of gebrek aan eigen inspiratie? Liften ze mee op andermans roem? Is het een ludieke manier van kunstontheiliging, een poging tot vadermoord, of juist een huldebetuiging?

Hoe dan ook, kunst over andere kunst is een genre, vergelijkbaar met de reden waarom kunstenaars een berg, een paar bomen, mensen, de stad of maatschappelijke misstanden tot onderwerp nemen. Het genre kent zelfs een lange traditie. Kunstenaars hebben altijd beeldcitaten uit andermans werk gebruikt, soms duidelijk herkenbaar, soms wat minder. Zo baseerde Manet zijn Déjeuner sur l’Herbe op een gravure van de 16de-eeuwse kunstenaar Raimondi, voorzag Marcel Duchamp een reproductie van de Mona Lisa van een snor en sikje, schilderde Marlene Dumas een dode Christus à la Hans Holbein en tekenden de gebroeders Dinos en Jake Chapman stripgezichtjes op de etsen van Goya.

De kunstgeschiedenis als steen des aanstoots of als muze – op dit moment zijn er twee tentoonstellingen die een vergelijkbaar uitgangspunt hebben. In Museum Jan Cunen in Oss is de tentoonstelling Het gesnoeide Matisseboompje te zien, met als ondertitel Kunst over kunst. De Vishal in Haarlem herbergt de expositie Geertgen was hier, een verwijzing naar de schilderijen van Geertgen tot Sint-Jans, terwijl even verderop in de Janskerk reproducties hangen van het werk van de bekende 15de-eeuwse meester.

Op beide locaties refereren levende, Nederlandse kunstenaars – al dan niet bewust – aan werk van dode kunstenaars. Een helder uitgangspunt, maar het is toch moeilijk om je vinger te leggen op wat er in Oss en Haarlem precies gaande is. Waar kijk je eigenlijk naar: naar een oud kunstwerk dat in een nieuw doorschijnend jasje is gestoken, of naar een nieuwe visie die op een bestaand beeld is gebaseerd? Kortom, wat heeft de kunstenaar toegevoegd aan hetgeen er al bestaat?

Het dilemma doet zich overigens in Haarlem het minst voor. Daar verwijst het werk in De Vishal alleen indirect naar de miniatuurschilderijen van Geertgen tot Sint-Jans. Zoals te zien in Stefan Kaspers Mensenboom dat losjes is gebaseerd op de ‘Boom van Jesse’, een thema dat veelvuldig voorkwam binnen de primitieve schilderkunst. Janpeter Muilwijk toont paradijselijke gobelins met Adams en Eva’s. En Olphaert den Otter schilderde een apocalyptische magic mushroom.

Anders is de tentoonstelling in Oss. Daar zijn de zalen gevuld met werk van kunstenaars die duidelijk staan op de schouders van anderen. Zo heeft Carel Blotkamp schilderijen van Mondriaan, Malevitsj, Daniel Buren en Piero della Francesca ‘nagemaakt’ met glinsterende pailletten. Tegen een muurschildering van Gijs Frieling hangt het oeuvre van Mondriaan, door zijn moeder en haar vriendinnen op schaal nageborduurd. Marijn van Kreij fotografeerde zichzelf terwijl hij badwater de lucht in spuugt, zoals Bruce Nauman dat veertig jaar geleden deed. Paul Klemann haalde zijn hele knipselmap aan bekende kunstenaars (Rembrandt, Hirst, Beuys, Panamarenko, Buren, et cetera) overhoop om hun werk in zijn droomtekeningen te verwerken.

In het geval dat dit werk een persiflage wil zijn op vroegere kunst is het verschil met eerdere ‘commentatoren’ als Manet en Duchamp evident. In hun tijd zochten kunstenaars naar een nieuwe kunst. Er bestond een historische noodzakelijkheid om een andere standaard te vinden – en dus af te rekenen met de oude schoonheidsidealen. De kunst moest democratischer worden, minder hiërarchisch: zonder coryfeeën en genieën. Dát was de reden waarom Duchamp zijn Mona Lisa van snor en sik voorzag. Ridiculiseren, becommentariëren en persifleren waren breekijzers om een nieuwe richting te forceren. Afgaande op wat er in Oss te zien is, bestaat die urgentie anno 2009 niet meer.

Blijft over de vraag: wil de expositie in Museum Jan Cunen een lofzang op de oude kunst zijn of een meer objectieve vorm van appropriation art, toegeëigende kunst? Gijs Frieling zegt in de catalogus dat hij zich verzet tegen het ‘patent-idee’, dat niemand het intellectueel eigendom kan claimen op een bepaald kunstwerk en iedereen het recht heeft andermans werk als uitgangspunt te nemen.

Kan zijn. Maar waarom blijft veel kunst in Oss dan steken in een vrijblijvende en al te lichtvoetige hommage? De meeste impact van het nieuwe werk wordt ontleend aan de kunstenaar naar wiens werk wordt verwezen: ook een slechte toe-eigening van Mondriaan, levert altijd nog een behoorlijk kunstwerk op, omdat de schilderijen van Piet er doorheen blijven schemeren.

Meer over