Kunst die na Hitler wil choqueren is grotesk

Het bekendste werk van kunstenaar Boris Lurie, nu te zien in Den Haag, toont een pin-up op een goederenwagon vol Holocaustslachtoffers. Schrijver Arnon Grunberg zag de tentoonstelling en vraagt zich af hoe choquerend die nog is, nu concentratiekampen als Auschwitz toeristische bestemmingen zijn geworden.

Arnon Grunberg
Boris Lurie, Combat, 1951.  Beeld Boris Lurie Art Foundation
Boris Lurie, Combat, 1951.Beeld Boris Lurie Art Foundation

Op 16 september 1975 ging de in 1924 in Leningrad geboren kunstenaar Boris Lurie aan boord van de Lermontov. Dit Russische schip zou hem van Amerika terugbrengen naar Riga, de hoofdstad van Letland, waar hij zijn jeugd had doorgebracht en waar de belangrijkste personen uit zijn leven zijn vermoord omdat ze Joods waren, een van zijn zussen, zijn moeder, zijn grootmoeder, zijn eerste geliefde. De massamoord vond plaats in het Rumbulabos nabij Riga. Op 30 november en 8 december 1941 zijn daar circa 25 duizend Joden doodgeschoten door de nazi’s en met hen collaborerende Letten, vooral vrouwen, kinderen en bejaarden.

In Luries werk, in de teksten over zijn werk, duikt het woord Rumbula telkens weer op, bijna als een bezwering, maar ook om aan te geven dat er een vóór en een ná Rumbula was. (Overigens vond de vermoedelijk grootste massamoord in Letland op Joden plaats in het Biķerniekibos bij Riga, waar tussen de twintig- en veertigduizend Joden, Russische krijgsgevangen en politieke tegenstanders van de nazi’s zijn vermoord.)

‘Ik dank u, Adolf Hitler’

Kunstenaar werd Lurie na de oorlog toen hij met zijn vader in New York woonde waar hij geld verdiende als tekenaar van advertenties. In zijn vrije tijd maakte hij tekeningen over het getto en concentratiekampen. Zijn tekeningen zijn dan nog redelijk realistisch, hij vertrouwt er nog op dat de radicale vernietiging op betrekkelijk conventionele wijze kan worden afgebeeld.

Schrijver werd hij toen hij na zijn bezoek aan Riga en het Rumbulabos in 1975 terugkeerde naar New York en zijn memoires begon te schrijven, in het Engels, Duits en Russisch, in totaal circa 700 pagina’s, getiteld In Riga. Droombeeld en realiteit, fantasie en ooggetuigenverslag zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Het eerste deel van die memoires is in 2019 uitgegeven en begint met een opdracht van Lurie: ‘Ik dank u, Adolf Hitler, omdat u van mij gemaakt hebt wat ik ben, voor de vruchtbare uren die ik in uw hand heb doorgebracht, voor de kostbare lessen die ik dankzij uw wijsheid heb geleerd, voor alle tragische momenten, bungelend tussen leven en dood.’

Het kamp kan zoals bekend een deel van iemands identiteit gaan vormen, maar bij mijn weten is niemand van de overlevenden zo ver gegaan als Lurie door te stellen dat hij Hitlers creatie is, waaruit ik afleid: Hitlers kind. En ik meen dat we Luries omvangrijke en complexe oeuvre pas kunnen begrijpen als we zijn uitspraak serieus nemen.

Boris Lurie in zijn studio, 1962. Beeld Boris Lurie Art Foundation
Boris Lurie in zijn studio, 1962.Beeld Boris Lurie Art Foundation

Luries vader, Ilja, was een industrieel die na de Russische revolutie Leningrad moest verlaten omdat industriëlen vijanden van het boeren- en arbeidersparadijs waren geworden, Boris’ moeder was tandarts. Ze weken uit naar Letland.

Na het Molotov-Ribbentroppact werd Letland in de zomer van 1940 een Sovjetrepubliek. Een jaar later kwamen de Duitsers, die door een aanzienlijk deel van de Letten hartelijk werden verwelkomd.

Lurie verdeelt de slachtoffers in Letland in vier categorieën.

De Joden die vrijwel direct na de Duitse inval in de zomer van 1941 zijn vermoord.

De getto-Joden uit Riga, die als gezegd grotendeels zijn vermoord op twee dagen, 30 november en 8 december 1941.

De werk-Joden uit het getto, die in zogenoemde Arbeitslager nabij Riga te werk werden gesteld. Toen het Rode Leger oprukte, zijn de meeste van hen ‘geëvacueerd’ naar Duitsland. Ongeveer duizend hebben het overleefd, onder wie Boris Lurie en zijn vader.

Dan zijn er nog circa vijfhonderd Letse Joden ondergedoken of hebben onder een valse naam geleefd; van hen heeft slechts een handjevol het overleefd.

Verder werden tijdens de oorlog tussen de vijftig- en honderdduizend Duitse, Oostenrijkse en Tsjechische Joden naar Letland getransporteerd die daar vrijwel allemaal zijn vernietigd.

Het loont de moeite enkele van Luries spaarzame herinneringen te beschrijven uit de tijd vóór hij Hitlers kind werd, dus vóór Rumbula.

De ‘neukfeesten’ van vroeger

Boris werd ‘Borya-waarom’ genoemd, omdat hij altijd vragen stelde. Het dienstmeisje bij de Luries heette Bronya en volgens Boris was ze voortdurend met hem aan het flirten. Hij ontwierp een spiegelsysteem, zodat hij haar kon bespioneren terwijl ze een bad nam en hij verzamelde door haar gedragen kleding om eraan te ruiken en over haar te fantaseren. Uiteindelijk werd ze door Boris’ moeder ontslagen, omdat zij vreesde dat haar zoon het dienstmeisje zwanger zou maken.

Ook beschrijft hij zoals hij dat noemt ‘neukfeesten’ van de Letse jeugd. De meisjes kiezen de jongens waarna iedereen verdwijnt in een eigen kamer. Boris wordt gekozen door een meisje uit wat hij noemt ‘de arbeidersklasse’ – hij schrijft dat ze tijdens pogingen tot vrijen geluiden maakt ‘die hij nog nooit gehoord’ heeft – maar als hij een condoom om wil doen wordt ze woedend en schreeuwt ze tegen hem: ‘Jij klootzak, ben ik niet goed genoeg voor jou?’

Boris Lurie, Susan Sweet, 1963.  Beeld Boris Lurie Art Foundation
Boris Lurie, Susan Sweet, 1963.Beeld Boris Lurie Art Foundation

Luries grootmoeder was de enige van de familie die orthodox was. Als kind verafschuwde hij haar, vanwege haar ouderdom en haar religiositeit. Met plezier at hij varkensvlees, juist omdat dat het enige resterende taboe van het Jodendom in zijn familie was.

Zijn memoires zijn een aaneenschakeling van grotere en kleinere grensoverschrijdingen met oorlog en massamoord als grensoverschrijding der grensoverschrijdingen.

In het getto voor zogenoemde Arbeitsjuden waar Lurie met zijn vader terechtkwam nadat de rest van zijn familie was uitgemoord, ontstond een levendige handel in voedsel en seks, mede door de komst van de Duitse Joden. Volgens Lurie waren de Duits-Joodse vrouwen, omdat ze de taal niet spraken en bescherming en voedsel nodig hadden en hun mannen veelal waren vermoord, beschikbaar voor seks. De Duitse Joden werden door de Letse Joden als ‘vervangbaar’ gezien, schrijft Lurie.

Hij voegt hieraan toe dat hij toen al de onbewuste fantasie moet hebben gehad dat alle vrouwen verdoemd waren, dat ze allemaal geselecteerd waren om te sterven en dat de overlevingskansen van de vrijwel uitsluitend mannelijke Arbeitsjuden zouden toenemen als alle vrouwen zouden verdwijnen. Hoewel deze fantasie onbewust zou zijn, verdient zij het serieus te worden genomen, al was het maar omdat er in het werk van Lurie sprake is van een zekere agressie jegens vrouwen.

De grootste striptease aller tijden

Nu moet ik Ljuba Treskunova noemen, het meisje dat Boris zijn ‘ware liefde’ noemt. Jarenlang had hij haar tevergeefs begeerd, maar kort na de Duitse bezetting bloeit hun liefde op.

Op 8 december 1941 moet Ljuba echter samen met haar zus en moeder, de moeder van Boris, Schaina, zijn grootmoeder en jongste zus, Josephina, evenals duizenden andere vrouwen en kinderen door de vrieskou naar Rumbula marcheren, waar ze zich dienen uit te kleden om te worden afgemaakt.

In zijn memoires schrijft Lurie dat Ljuba niet gestorven is in het Rumbulabos, maar alleen ernstig gewond is geraakt. Van buiten lijkt ze ongedeerd, maar ze kan haar plas niet ophouden en Boris moet elke dag klokslag twaalf uur haar onderbroek verschonen. Bezoekers, die er kennelijk zijn, besteden nauwelijks aandacht aan het stel, ze mompelen alleen: ‘Het leven moet doorgaan.’ De nachtmerrie van de realiteit loopt over in de troost van een duistere hallucinatie.

Elders verklaarde Lurie dat hij ‘een verdoofde aantrekkingskracht voelt voor de kunst van de striptease’ en dat hij steeds weer ‘de grootste striptease aller tijden, die in het Rumbulabos’ herbeleeft, maar dat ‘hij het toen niet wist’.

Wat wist hij toen niet?

Zijn doodgeschoten zus Jeanna noemt hij Miss Rumbula.

Een van Luries bekendste kunstwerken is een collage getiteld Railroad to America uit 1963. Op een foto van vermoedelijk Margaret Bourke-White van lijken, waarschijnlijk uit een concentratiekamp afkomstig, gestapeld op een open goederenwagon heeft Lurie een foto van een pin-up in jarretels geplakt, haar gezicht naar de lijken toegewend. Ze is bezig haar slipje uit te trekken, haar lange donkere, golvende haar valt over haar schouders.

Boris Lurie, Railroad Collage, 1963. Beeld Boris Lurie
Boris Lurie, Railroad Collage, 1963.Beeld Boris Lurie

Niet alle striptease is natuurlijk massamoord, maar alle massamoord is ook striptease.

Echter, wie de memoires van Lurie heeft gelezen kan deze collage niet meer zien zonder aan zijn fantasie te denken. Dit is Ljuba, schijnbaar ongeschonden herrijst zij uit een stapel lijken.

Van werkelijke solidariteit is noch in Luries herinneringen noch in zijn kunstwerken sprake, voor de levenden bestaat er slechts vervangbaarheid. Zo verklaar ik ook Luries obsessie met de striptease, waar vervangbaarheid vanzelf spreekt, zowel voor de naaktdanseres als voor de bezoeker; iedereen is vervangbaar voor elkaar.

In New York is Lurie eigenlijk altijd een vreemde gebleven, ook in de kunstwereld was hij een buitenstaander. Toch onderhield hij met sommige kunstenaars nauwe contacten, onder wie Wolf Vostell, waarvan de buitengewone tentoonstelling Boris Lurie & Wolf Vostell, Art After Auschwitz getuigt die nog tot en met 29 mei in het Kunstmuseum in Den Haag is te zien. Wie aan Vostells installatie uit 1970 in Keulen denkt, ook te zien op de tentoonstelling, zal dat niet verbazen.

Geknars van vorken en lepels

De bezoeker loopt over een zee van vorken en lepels langs schikdraad, hét iconisch beeld van het kamp. Vooraf heeft hij een koffer in de hand geduwd gekregen en een kauwgumpje, een microfoon wordt op zijn wang geplakt, zodat zijn gesmak zich luid en duidelijk vermengt met het geknars van de vorken en lepels.

De vraag is hoe choquerend dat nog is, in tijden waarin concentratiekampen als Auschwitz toeristische bestemmingen zijn geworden, waarover ik overigens geen oordeel vel, misschien beter een toeristische bestemming dan volledig vergeten.

En om choqueren gaat het ook niet. Kunst die na Hitler wil choqueren is grotesk; waar alles is ontheiligd is ook de ontzetting over de ontheiliging ontheiligd. Waar het vertrouwen in de realiteit radicaal is weggeslagen is ook de ontzetting over die vertrouwensbreuk onbetrouwbaar geworden.

Over díe vertrouwensbreuk, over het inzicht dat alleen de doden onvervangbaar zijn, gaat het werk van Lurie en dat van Vostell.

Wolf Vostell, 1968. Beeld Archivo Happening Vostell
Wolf Vostell, 1968.Beeld Archivo Happening Vostell

De grensoverschrijding der grensoverschrijdingen kan alleen gerepresenteerd worden door te blijven proberen nieuwe symbolische grenzen te overschrijden. De totale ontheiliging is een feit, maar moet in elk kunstwerk worden geënsceneerd, opdat men zo als het ware altijd weer opnieuw naar die totale ontheiliging toe kan lopen.

Lurie deed dat door op zijn fantasieën te vertrouwen. Hij vreesde die niet, allicht omdat hij wist dat hij nu eenmaal Hitlers kind was. Zo schrijft hij dat de overlevende slachtoffers én daders in Rumbula moeten samenkomen en daar snacks moeten eten, een rabbijn zegt het sjema jisraël. Ontelbare vaten wodka moeten soldaat worden gemaakt tot slachtoffers en daders kotsend en giechelend over de grond rollen, opdat de doden ten minste de trillingen zullen voelen.

Meer over