InterviewKristien Hemmerechts

Kristien Hemmerechts is schrijver van de verhalen die mensen niet willen horen

Kristien Hemmerechts schreef met Ik ben Emma een eigentijdse versie van Jane Austens roman Emma uit 1815.Beeld Aurélie Geurts

Hoe schrijft de schrijver? Kristien Hemmerechts probeert niet om haar lezers een goed gevoel te geven. Ze wil weten waarom er zoveel verschrikkelijks gebeurt en schuwt de ongemakkelijke waarheid niet.

‘Wat ik wil zeggen…’

– het blijft even stil –

‘… wat hetzelfde is gebleven…’

– weer stil –

‘… wat ik héel belangrijk vind, is…’

– dramatische stilte nu –

‘… het sluiten van de rangen.’

Kristien Hemmerechts duikt ineen en veert weer op.

‘Kijk’, roept ze verbaasd: ‘Ik krijg er kippevel van. Zó erg vind ik het. O, dit is echt heel raar.’

Hemmerechts herbeleeft haar nieuwe boek Ik ben Emma, een eigentijdse versie van de roman Emma uit 1815. Jane Austen schreef destijds over Emma Woodhouse. Hooghartig besluit deze dochter uit gegoede kringen zich niet te onderwerpen aan de liefde, maar verhoudingen tussen anderen te arrangeren. Natuurlijk wordt ze toch verliefd.

Bij Kristien Hemmerechts is het Emma Houthuys die aan het koppelen slaat. Intriges verlopen niet via brieven maar via Instagram en Twitter. In plaats van paarden zijn er Tesla’s. Bij de vleselijke liefde komt de opwinding via porno op de smartphone. Ik ben Emma is net zo’n kostelijke zedenroman als Jane Austens Emma. In beide romans bepalen existentiële vragen de sociale verhoudingen: bij wie horen de Emma’s echt? Bij hun generatie? Sekse? Familie? Klasse? Bezit? Kleur?

Hemmerechts raakt geëmotioneerd wanneer ze spreekt over Emma Houthuys en haar Afrikaanse halfzusje Malika: ‘Het laatste gesprek tussen die twee… ik krijg bijna tranen in mijn ogen… Malika kijkt naar het huis waarvan Emma altijd heeft gezegd: ‘het is ook jouw huis, alles wat ik heb is ook van jou’. Maar dat Emma dan toegeeft: ‘Ik was vroeger eigenlijk jaloers. Ik wilde niet dat jij alleen bij mijn vader bleef als ik bij mijn moeder was’. Alles was een mythe. Uiteindelijk kiest…’

Ho, stop. Niet alles verklappen. Uw punt is dat de sociale rangen nog altijd gesloten worden?

‘Dat vind ik ja. De bekendste roman van Jean Rhys begint met: They say when trouble comes, close ranks, and so the white people did. Dat is heel het racismeprobleem. Oké, denken mensen: Back Lives Matter, heel belangrijk, máár: tot hier en niet verder.’

Dat is een wel heel pessimistisch wereldbeeld. Is er niks mogelijk?

– blijft lang stil, pupillen draaien omhoog, lijken ónder het schedeldak te zoeken –

‘Als je ziet met corona, het is toch weer: ieder voor zich. Ook Europa slaagt er niet in om gemeenschappelijk beleid te voeren. Jacht maken op vaccins; als het erop aankomt worden de rangen gesloten. Superpijnlijk.’

HET ONGENOEGEN

Grofweg bestaan er twee soorten verhalen: de verhalen die mensen wel en de verhalen die mensen niet willen horen. Ik ben Emma lijkt aan de oppervlakte van de eerste categorie, want daar is het verhaal licht en vrolijk, tot boeketreeksachtig en slapstick aan toe, maar daaronder woelt de literatuur, daar sluimert het ongenoegen en is het zoals Hemmerechts schrijft: ‘De wereld werd almaar beter. Tegelijkertijd leken ze met z’n allen op een catastrofe af te stevenen.’

Beeld Aurélie Geurts

Het is niet anders, Kristien Hemmerechts schrijft nu eenmaal geen boeken om mensen een goed gevoel te geven. Ze vertelt de verhalen die mensen niet willen horen. Dat is literatuur. Pech dus als de schrijver geïnterviewd wordt, want ze is helemaal geen zeurderig of klagerig type –zoals een kritische vrouw snel wordt weggezet. Integendeel, ze is een opgewekte en krachtige persoonlijkheid, maar vraag je haar naar de tijdgeest, naar politiek, feminisme of de letteren dan moet ze in weerwil van zichzelf toch weer zeggen wat de mensen níét willen horen.

Verhalen die de mensen niet willen horen: u schreef over een anorexia-patiënt in Ann, over de vrouw van Dutroux in De vrouw die de honden eten gaf en over een SS’er in Het verdriet van Vlaanderen; wat wilde u met die boeken bewerkstelligen?

– Stil weer –

‘… eh…’

– langer stil –

‘Niets, in eerste instantie, en ik denk zelfs ook niets in tweede instantie, maar…’

– begint te hoesten –

‘wacht, ik ga even een glas water halen… Ja, hier ben ik weer.’

– diepe adem in –

‘De oppervlakkigheid van veel mensen verbaast me. Ik verdiep me graag. Het is niet gelijk dat ik de wereld wil veranderen en verbeteren, het is meer wéétgierigheid. Anorexia, de vrouw van Dutroux, ik vraag me af: hoe ervaart een mens dat?’

Op die boeken kwamen heftige reacties: mensen vonden dat u te veel sympathie toonde of zich neerlegde bij de uitzichtloosheid van de anorexiapatiënt; hoe kijkt u daarop terug?

‘Het anorexiaboek heeft nog enorme impact, voor veel mensen die ermee te maken krijgen is het een verhelderend boek. De recensente van de Volkskrant was er zo boos op! Zij zat zich maar boos te maken omdat Ann in haar anorexia blijft vastzitten. Die vrouw kon niet aanvaarden hoe Ann was. Maar dat was juist de tragiek. De anorexia van Ann was zo extreem: vier jaar nadat het boek verscheen, heeft ze euthanasie mogen plegen wegens ondraaglijk psychisch lijden. Die waarheid is een inconvenient truth – vooral voor Nederlanders.’

Oh?

‘Nederlanders hebben de illusie… als het klimaatprobleem wordt opgelost, dan zal het door Nederlanders zijn, hè? Nu ook weer met die plastic soep in de oceaan. Is het ook weer een Nederlander die daar…’

Wahahaha!

‘Ja, maar het is wáár! Op Radio 1 is het de hele dag door: wij gaan dit góéd onderzoeken…

– harde, scherpe g’s – 

‘… wij gaan daar góéd over nadenken! Maar dan zo’n meisje met anorexia, dat ontglipt aan de behandelingen en de rationele aanpak, dat wensen Nederlanders niet te zien. Mensen horen graag…

‘… die Rutger Bregman hè: da’s een genie! Die zegt tegen de mensen dat ze deugen. Ah, maar dát horen ze graag! Er gebeuren verschrikkelijke dingen, maar éigenlijk deugen de meeste mensen.

‘Helaas heb ik de neiging om te zeggen: maar kijk eens naar dit, en kijk eens naar dat, begrijp je?’

Ja.

‘Ik denk dat daar mijn schrijverschap uit is ontstaan. Ik kreeg verhalen mee over hoe fantastisch het was: de liefde, vriendschap. Relaties tussen ouders en kinderen: nóg fantastischer. We leven allemaal in Disneyland. Maar ik zit zo in elkaar dat ik andere dingen zie, hoor, opmerk en aanvoel. Dingen die niet kloppen met sprookjes dat de meeste mensen deugen. We zijn allemaal gaan geloven hoe fantastisch gezinnen zijn. Dat ze de veiligste plek vormen. We geven kinderen mee: je mag nooit met een vreemde meegaan of een snoepje aannemen. Maar heb je ooit geweten dat ze tegen kinderen zeggen: lieve schatten, als mama een beetje zenuwachtig is en je ziet ze een mes grijpen, dan moet je héél hard weglopen! Nochtans is het bij kindermoorden, verkrachtingen, seksueel misbruik niet de lone wolf die eenzaam rond het huis cirkelt. Nee: the wolf is inside the house. De mensen willen het niet horen.’

Beeld Aurélie Geurts

U hoort de wolven wel?

‘Ik begon mijn boek over de vrouw van Dutroux ook met het idee: Marc Dutroux zit op de planeet van de monsters en wij zitten op de planeet van Rutger Bregman: de meeste mensen deugen. Wij zijn leuk, we houden bbq’s, we vieren elkaars verjaardag en áf en toe doen we iets wat niet helemaal koosjer is.’

En welke ongewenste verhalen vertelt Jane Austen?

‘Zij doorzag de hypocrisie van de mensen in haar tijd, het opkijken naar mensen met centen, met een groot huis, en het neerkijken op de anderen. Vastklampen aan status. Mensen zien vaak alleen het liefdesverhaal, maar bij Jane Austen was dat een glijmiddel om te kijken naar maatschappelijke situaties.’

Die soms gelijk zijn gebleven?

‘Jane Austen was zeer geïnteresseerd in geld, in de impact van geld. En als het erop aankomt, ook nu, is een van de dingen die ik heb geleerd: als het over centen gaat…’

Dan worden de rangen gesloten!

‘En zij moest daarover zwijgen als vrouw, maar aan haar schrijftafel kon ze de gesprekken reproduceren en de mensen te kakken zetten. Dat heb ik ook wel. Al dat halfslachtige racistisch gedoe in Ik ben Emma: mensen die een bus met veel Afrikanen ‘de Congo-bus’ noemen. Zeggen: ‘Ik heb niets tegen zwarte mensen, maar ik heb ook niets met hen.’ Dat is zoals mensen praten! Dat is niet verzonnen.’

Kristien Hemmerechts: ‘Sommige dingen vind ik heel eenvoudig: als mijn zwarte medemens zegt dat-ie het prettiger vindt om geen ‘neger’ te worden genoemd, dan zeg ik oké.’Beeld Aurélie Geurts

TIJDGEEST

Maakt de witte schrijver haar zwarte personage niet te negatief? Of van de weeromstuit te positief? Het is een mijnenveld. Ze geeft zo’n twintig jaar creatief schrijven aan universiteiten. Haar studenten twisten over woorden: zeg je zwart of van kleur, moet het wit zijn of blank en kun je een personage ook aanduiden met hen in plaats van hij of zij? Het is voortdurend schipperen. Laatst mocht ze niet zeggen dat ze iets slechts had gezien in Liberia. Want dan was ze koloniaal. En heeft zij als lesgever wel het récht om een oordeel te vellen? Wie bepaalt dat haar visie meer waard is dan die van een ander? Het is net de jaren tachtig, toen men zei dat het patriarchaat in de taal zelf zat: onderwerp-voorwerp, in elke zin onderwerp je.

Maar ze denkt: ‘Hemmerechts! Hou maar een beetje je mond, je hebt het lang genoeg allemaal kunnen zeggen. Luister maar eens goed naar wat die nu te zeggen hebben.’

Zit er vooruitgang in die discussies?

‘Ze polariseren. Maar sommige dingen vind ik heel eenvoudig: als mijn zwarte medemens zegt dat-ie het prettiger vindt om geen ‘neger’ te worden genoemd, dan zeg ik oké. Als jij zegt: ik vind het prettiger als je me Sanne noemt, daarover hoeven we niet moeilijk te doen. En als je twee minuten nadenkt over Zwarte Piet, dan denk je: stom van ons! Wat hebben we toch al die tijd gedaan? Weg ermee natuurlijk. Maar wat krijg je dan?’

– mannenstem –

‘Identiteit! Vlaamse waarden!’

– timmert op tafel –

‘Mijn angst is de polarisatie. Bij ons krijg je jongeren die zeer, zéér rechts zijn.’

HOE TE SCHRIJVEN

Wist u bij schrijven al hoe het boek ging aflopen?

‘Nee, voor mij moet een boek organisch groeien. De personages moeten het van me overnemen. De enorme inspanning van het schrijven is: achterhalen wat je personage doet. In de dialoog zegt de ene dit. Hoe reageert die ander daarop?’

Dat verrast u?

– enthousiast knikken –

‘Daarom kan ik zo genieten als ik teruglees! De scènes met de domme influencer Nanette, daar zit ik zelf om te lachen van: wat doet die nou toch weer! Het genot van lezen is: meeleven met de personages. Ik blijf daar als schrijver dichtbij.’

Heeft u schrijfroutines?

‘Mijn werk ontstaat zeer chaotisch. Het is zoeken, zoeken, zoeken. Ik moet veel alleen zijn. Ik ben erg gehecht aan mijn schrijfkamer. Wat ik hier schrijf, vertrouw ik. Wat ik op andere plekken schrijf niet.’

Beeld Aurélie Geurts

Hoe ziet een ideale werkdag eruit?

‘Overdag thuis schrijven en ’s avonds met iemand eten. Soms heb ik het gevoel dat ik mensen aan- en uitzet. Dat vind ik vrij onuitstaanbaar van mezelf. Ik ben eens mijn man – wij wonen niet samen – gaan vragen of hij wilde weggaan omdat ik de gedachte niet kon verdragen dat hij me later zou storen bij het weggaan. Dat is grof, maar die concentratie kan zo enorm zijn, dan word ik… gék! Iemand die klaarstaat bij het polsstokhoogspringen of een publiek gaat toezingen, die ga je ook niet eventjes onderbreken. Aanvaard dat die thuiswerkende persoon in net zo’n concentratie zit.’

Heeft u de literatuur in de afgelopen decennia erg zien veranderen?

‘Van een andere generatie voel ik me bij het gebruik van ik: ik ben, ik vind, ik voel. Wat je voelt, mag voor jou belangrijk zijn, maar andere mensen hebben daar geen boodschap aan. Laat zien, zet neer, toon wat dat gevoel heeft opgeroepen. Zeg niet: ik voel mij terneergeslagen. Roep een situatie op waarvan de lezer zal denken: die zal zich wel terneergeslagen hebben gevoeld. Maar het is een strijd die je niet kunt winnen.

– twinkeling in de ogen, ondeugend krullende bovenlip –

‘… en Nederlanders! Als ik jullie hoor, is het altijd van ik en ik en ik.’

Zijn Nederlanders nog meer met ik bezig?

‘Jullie hebben een veel langere traditie van therapie hè. Ik herinner me nog dat ik in Amsterdam ging wonen en een jongen mij uitnodigde. Meteen begon die toen een heel verhaal over dat hij die zomer had ontdekt dat hij misschien wel homoseksueel was. Hij bleef er maar over dooremmeren. Ik vond dat zo eigenaardig hè! Om zo te reflecteren op jezelf: wie ben ik? wat voel ik? wat wil ik? En daar zo over te praten tegen een vreemde.

‘Veel over jezelf praten. Nederlanders nemen zichzelf erg au sérieux, dat werkt een beetje op onze lachspieren.’

U gebruikt niet nadrukkelijk Vlaams, toch sluipen er formuleringen in uw boek die in Nederland minder en in Vlaanderen meer in zwang zijn: mensen kijken ‘op’ een baard waar de Nederlander eerder ‘naar’ de baard zou schrijven, of uw Malika heeft ergens ‘geen nood aan’.

‘Ja, de talen zijn echt uit elkaar aan het groeien.’

Kunt u voorbeelden geven van taalverschillen?

De Lijn: dan moet ik uitleggen dat het om het openbaar vervoer gaat. Maar als er in een Nederlandse roman staat het ov dan weet een doorsnee Vlaming ook niet wat dat is. Vanuit Nederlands perspectief moet het begrijpelijk zijn voor de Nederlanders, en de Vlamingen moeten dan maar… Het is heel moeilijk. Dan rijdt een personage rond in een camionet, en ik weet wel dat het in Nederland een busje of een bestelwagen is. Maar mijn personage rijdt echt niet rond in een busje of een bestelwagen, die rijdt in een camionet.’

Lastig.

‘Er zijn geen pasklare antwoorden. Ik heb in het verleden te vaak een toegeving gedaan aan Nederlandse Nederlanders. Wij zijn nog opgevoed met: zoals de Nederlanders spreken is de norm, maar nu groeien de talen te veel uit elkaar. Bij jullie komt de trein aan op het station. Iedere keer als ik schrijf dat de trein aankomt in het station, komt de Nederlandse corrector aan met ‘op’ het station. Het is eigenlijk…’

– bovenlip krult weer op –

‘… imperialisme. Néderlands imperialisme! Zet het in de krant.’

Kristien Hemmerechts: ‘Ik ben een beetje bourgondisch. In Nederland vind ik het soms beklemmend hoe netjes alles geregeld is.’ Beeld Aurélie Geurts

Denkt u dat in de toekomst een Vlaams-Nederlandse en een Noord-Nederlandse versie van uw boeken verschijnen?

‘Ik denk het niet. Maar er is wel een groot probleem, ik moet tegen mijn studenten zeggen: wie drinkt er koffie uit een tas? Weet dan wel dat als je in Nederland zegt: schenk nog wat koffie in mijn tas, ze in uw handtas gaan koffieschenken.’

Het is vaak gênant hoe Nederlanders over België doen: dat pittoreske landje. Tom Lanoye ageerde onlangs nog weer tegen die paternalistische houding.

‘Ik vind dat veel Nederlanders juist positief staan tegenover Vlaanderen. We zouden Vlaanderen en Nederland zo moeten samensmelten dat we het goede van Vlaanderen en het goede van Nederland bewaren. Nederland is voor ons echt de norm: alles is goed geregeld, in sommige van die kleine stadjes heb ik het gevoel dat de straten gestofzuigd zijn. Hier is het een rommel en een chaos, niets is hier geregeld. Ik heb het gevoel dat Nederlanders, wanneer ze naar hier komen, dat prettig vinden, een verademing. Maar ze zouden er niet willen in leven. Ik ben een beetje bourgondisch. In Nederland vind ik het soms beklemmend hoe netjes alles geregeld is. Ook in hoe je je gedraagt is alles enorm aan regeltjes onderhevig: dit mag niet, dat moet niet, weet-je?

Nee, wat voor regeltjes?

‘Ik heb vaak dat gevoel dat in jullie omgangsvormen: je mag niet voor je beurt spreken, je moet iemand in zijn waardigheid laten, je moet – je mag niet ‘moeten’ zeggen!’

Dat heb ik juist andersom!

‘Ja?’

Ja. In Vlaanderen voel ik me snel zo’n Hollander met grote bek die steeds voor z’n beurt praat.

‘Dat zegt me. Maar toch: ik vind dat in Nederland de zogezegd vrije meningsuiting ook op een punt ophoudt.’

Interessant: daar zit iets, maar het is lastig te benoemen.

‘Ja. Maar er is toch echt een code… bijvoorbeeld: je móét je voorstellen, je móét een praatje maken, je móét sociaal zijn. Ik vind jullie sociale omgangsvormen heel erg gecodeerd. En als iedereen zich daaraan houdt krijgen ze iets neps…’

– roept met hoge stem –

‘O, wat leuk! Als ik een uitnodiging krijg, moet ik bij Nederlanders zeggen

– grote ogen, buigend hoofd, lage stem –

‘Ik kijk ernaar uit. En achteraf moet ik zeggen dat het fan-tás-tisch was. Dat soort van codes: enthousiasme tonen en je móét positief zijn.

‘Maar het hoeft niet allemaal zo positief te zijn, hè.’

Beeld De Geus

Kristien Hemmerechts: Ik ben Emma. De Geus; € 22,99. Verschijnt 8 september. 

Meer over