Kraters in de stad

De bouwputten die Lonnie van Brummelen filmt in de stad zien er prachtig uit, maar ze zijn bepaald geen optimistisch toonbeeld van drukte en beweging....

Het wordt nogal eens vergeten in de discussie over de Hollandse identiteit, maar de manier waarop ons land is ingericht draagt in hoge mate bij aan wie wij zijn. Glijd na afloop van een verre vakantie met het vliegtuig over Nederland en de lappendeken van strak geordende, kaarsrechte stukjes land brengt een Pavlov-reactie teweeg: ‘We zijn weer thuis.’

Thuis is: orde en netheid, haakse kruisingen en rechte straten, rijtjeshuizen en woonblokken strak in het gelid.

Wanneer iemand spot met deze typisch Hollandse voorkeur voor orde en rechtheid, wanneer iemand zijn camera scheef boven een haakse kruising hangt, is voorzichtigheid geboden. Hier is een dissident aan het werk.

Kunstenaar Lonnie van Brummelen (1969), onlangs genomineerd voor de Prix de Rome, de oude, prestigieuze ‘staats’-prijs voor kunstenaars onder de 35 jaar is zo’n dissident. Met scheve camera kijkt zij van hoge afstand neer op een vijftal tot bouwput omgevormde Hollandse kruispunten.

We zien een heksenketel van fietsers, voetgangers, trams en auto’s. We zien trams die mooi en soepel als ballerina’s om elkaar heen kruipen, absurdistisch begeleid door een vrachtautootje met zwaailicht. We zien kranen draaien, kinderwagens ploeteren in weer en wind. Wandvullend ratelen de bouwputten vanaf komend weekend in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam.

Van Brummelens film oogt als een broodnuchtere, kalme registratie, als een document waarin de echo van de wederopbouw nog naklinkt. Zij lijkt een optimistisch spel op te voeren van beweging en bedrijvigheid, lekker ouderwets gefilmd met een 16 mm camera in zwart wit en grote lichtcontrasten. Strijklicht geeft de kruising een zijdeachtige gloed. Schaduwen schieten uit de straten tevoorschijn en zonder begeleidend geluid is de wereld oorverdovend stil, alsof de klok al decennialang stilstaat.

Maar we waren gewaarschuwd: dit is niet 1953 maar 2003. Zoals de fotograaf Frits Weeda met zijn sombere, inktzwarte foto’s de schaduwzijde toont van het eenzijdige, positivistische ideaal van de wederopbouw, zo strooit Van Brummelen zand in de radertjes van orde, regels en netheid.

Want haar beeldtaal mag dan van ouderwetse schoonheid getuigen, haar bouwputten zijn geen optimistisch toonbeeld van drukte en beweging. Integendeel. Ze bieden de aanblik van een vijandige wereld, van kraters in de stad. Ze halen het heersende ideaal van snelheid en mobiliteit subtiel onderuit. Nog voordat de bouwput herkenbaar in beeld komt, is haar camera al aan een eenzame vrouw blijven haken die zich langs een wirwar aan hekken, opbrekingen, palen en afgronden wurmt. Trams en bussen glijden weliswaar soepel het krappe kader van de camera binnen, maar vervolgens komen ze steevast tot stilstand. Verkeersstromen botsen op elkaar. Auto’s draaien pardoes om. Voetgangers lopen met gevaar voor eigen leven kriskras in het rond. Obstructies heet de film dan ook.

Obstructies is een van de twee werken waarmee Van Brummelen nog net in aanmerking komt voor de Prix de Rome – dit jaar wordt ze 36, de leeftijd waarop het bijvoegsel ‘jong’ uit het curriculum verdwijnt. Ze is dan ook al even bezig. In 1993 studeerde ze af op de Rietveld Academie met een opmerkelijke presentatie. Alle voorwerpen die ze tijdens haar opleiding in huis had gehad, had ze op ware grootte nagetekend en aan de muur gehangen: drie wanden vol, van zwempak tot klok, van strijkplank tot paraplu. Een even nuchtere als vrolijke verbazing over de hoeveelheid spullen waarmee een mens zich in de westerse wereld dagelijks omringt.

Die even formele als lichtvoetige verbazing heeft haar sindsdien niet meer verlaten. Vier jaar later maakte ze komische ‘wegrenfilms’, drie minuten durende loops waarin ze de filmcamera aanzet en vervolgens met fladderende jurk keihard het beeld uitrent, om na enige minuten als een mier op het dak van een reusachtig gebouw weer tevoorschijn te springen. Het zijn aandoenlijke miniaturen van stilstand en beweging, van een mens in een onmenselijke stenen omgeving.

De wens om de deuren van kunsteiland wijd open te zetten leidde na haar vervolgstudie aan de Rijksakademie tot de kunstzinnig gekleurde road movie Route Sédentaire (2001), waarin Van Brummelen vanaf haar huis op het KNSM-eiland een gipsen beeld meesleept naar Lascaux, moederschoot van alle beelden. Drie maanden liep zij door de openbare ruimte, met alle gevolgen vandien. Wat een feest van vrijheid had moeten worden, veranderde in een jungle van hindernissen en obstakels. Bij nader inzien bleek de openbare ruimte lang niet zo openbaar als het woord wel suggereert: privé- wegen, de dwang van het eenrichtingsverkeer en de dominantie van de auto maakten het haar geregeld onmogelijk haar pelgrimstocht te vervolgen. Zo kwam ze in aanraking met de werkelijkheid achter de romantische droom. Zo ook zag ze haar onderwerp opdoemen. Sindsdien wijdt zij zich, zoals zij het zelf noemt, aan ‘gestremde mobiliteit’, oftewel de plekken waar werkelijkheid en ideaal op elkaar botsen.

Is Obstructies een humoristische allegorie over tamelijk letterlijke mobiliteit, in haar nieuwste film Grossraum (2004) verschuift de blik niet alleen van Nederland naar Europa, maar begeeft zij zich ook op politiek niveau. Weer lag haar inspiratie dichtbij. Europa is een droom van eenheid en solidariteit, houden tal van politici ons maar al te graag voor. Maar Van Brummelen, wijs geworden door haar ervaring met Route Sédentaire, weigert de waarde van de woorden zonder meer te accepteren. Om te kijken of het klopt, om het vermeende droombeeld met eigen ogen te aanschouwen, reisde ze naar de randen van Europa. Zo bezoekt ze Ceuta, een kleine Spaanse enclave in Marokko, en Hrebenne, op de grens van Polen en de Oekraïne. Wat nu nog een tweeluik is, moet in de toekomst uitgroeien tot een drieluik. Met dank aan de status van de Prix de Rome hoopt zij binnenkort de derde hindernis te nemen, daar waar de Europese Unie stuit op de buitengewesten van de toekomstige lidstaat Turkije.

Het in kleur gedraaide en eveneens zonder achtergrondgeluid opgenomen Grossraum, ook te zien in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, is veeleisender dan Obstructies, vraagt niet alleen van de maker, maar ook van de toeschouwer een onderzoekende blik. Pas dan valt de droom aan diggelen, openbaart zich het schrikbarende verschil tussen Spanje en Marokko: de een tot op de laatste centimeter volgepropt met bouwsels, met af en aan rijdende auto’s en samenklonterende, met boodschappen beladen mensen; de ander een vochtige woestenij met zandpaden en een totale afwezigheid van bebouwing.

Onbedoeld krijgt de film een komische noot, wanneer de beter bedeelden, in een mistig moment van de geschiedenis van hun familie aan de overkant gescheiden door een onneembare vesting van hekken en prikkeldraad, hun pakjes en giften als apenoten in de dierentuin over de hindernis heen gooien. De in het niemandsland paraderende grenswachten staan erbij en kijken ernaar. Aan de rand van Europa stuit van Brummelen niet op eenheid, maar op verdeeldheid, niet op vrijheid maar op blokkades. Weer blijken ideaal en werkelijkheid nauwelijks met elkaar te stroken.

Van Brummelen is niet de enige die zich bezighoudt met het terrein van de openbare ruimte, met het grensgebied waar het woord vrijheid leegloopt als een lekke ballon. Ook Marjoleine Boonstra filmt in het nachtelijke Britanya (2004) wantoestanden aan de grens van Calais.

Maar waar Boonstra met haar camera zo dicht op de wanhoop van de gestrande vluchtelingen gaat zitten dat je onpasselijk wordt van de wanhoop en de machteloosheid, houdt Van Brummelen de ellende op gepaste afstand. Zij concentreert zich in eerste instantie op de planologie en zoomt van daaruit in op de mensen.

Daarbij gaat het niet om persoonlijk leed, maar om de absurditeit van de situatie, die zij bedachtzaam registreert. Net als het kunstenaarsduo De Rijke De Rooij, dat Nederland dit jaar vertegenwoordigt op de Biënnale van Venetië, dompelt Van Brummelen haar blik veeleer in schoonheid dan in woede en mededogen. Niet voor niets begon ze haar carrière als tekenaar en schilder.

Als een kwast hanteert ze haar 16 mm of 35 mm camera. Ze hult de rauwe werkelijkheid in warm pastel of gloedvol zwart wit en heeft haar hoge camerastandpunt en het nauwe kader waarbinnen zich een stoet aan gebeurtenissen afspeelt, ontleend aan de middeleeuwse schilder Pieter Bruegel. Ook de vorm – drie- of vijfluiken – knipoogt naar de klassieke schilderkunst.

Maar terwijl De Rijke De Rooij in hun nieuwste werk Orange (2004) elk achterliggend engagement smoren in een kleurenbad van tachtig monochome dia’s (oranje als symbool voor terugkerende vaderlandsgezindheid is nog enigszins te begrijpen, maar wie denkt bij oranje aan de overalls van de gevangenen in Guantanamo Bay?) blijft de werkelijkheid bij Van Brummelen voortdurend door de schoonheid heenschemeren.

Juist die combinatie van esthetiek en anti-utopie staat garant voor een even scherpzinnig als tijdloos oeuvre. Zo lichtvoetig, gedetailleerd en liefdevol tast haar camera langs de werkelijkheid, zoveel valt er te zien op haar met film geschilderde tableaux vivants dat ze de kijker eerst naar binnen zuigt, waarna de schone schijn langzaam uit beeld verdwijnt.

Meer over