Koopman in topvorm brengt Messiah vol schoonheid

Eigenlijk is het merkwaardig dat Händels Messiah bij uitstek geldt als kerstmuziek. In feite komen alle facetten van de levensloop van de Verlosser en het christelijke geloof samen in dit stuk, dat reikt van de annunciatie van Jezus' geboorte tot en met visioenen van de wederopstanding der doden op de...

Frits van der Waa

Maar het is waar: The Messiah is een werk waarin overwegend gejubeld wordt, en dat is misschien meer in overeenstemming met de kerstgedachte. En bovendien beschikken we met de passies van Händels tijdgenoot Bach al over de ultieme paasmuziek.

Voor Ton Koopman en zijn Amsterdam Baroque Orchestra is Händels muziek uiteraard gesneden koek. Vanaf de eerste noten was duidelijk dat de musici in topvorm verkeerden. Als altijd ging Koopman, dirigerend van achter het klavecimbel, voortvarend te werk, met pittige tempi en feestelijke fugato's, maar dat leidde geen moment tot overhaasting of een onscherp klankbeeld. Schoonheid, eenvoud en welsprekendheid stonden voorop. De strijkers produceerden een volmaakt unisono, met een grote aandacht voor dynamische details. Hoewel het koor slechts uit vierentwintig zangers bestond vulde het de Grote Zaal met gemak, maar handhaafde toch voortdurend een grote doorschijnendheid.

In het eerste van de drie delen schitterde vooral sopraan Deborah York, die met haar ongerepte, engelachtige timbre geknipt is voor Händels uitwerking van de herdertjes die bij nachte lagen. De welhaast onuitblusbare monterheid die het eerste van de drie delen kenmerkt, maakt in het tweede deel, waarin het lijdensverhaal aan de orde komt, plaats voor een meer contemplatieve sfeer, waarin de volle altstem van Franziska Gottwald goede diensten bewees in de smartelijke voorhoudingen van de aria He was despised. Bas Klaus Mertens, een zanger die uitblinkt in verzorgdheid en noblesse, liet in de aria Why do the nations so furiously rage together op een fraaie manier het achterste van zijn tong zien, passend begeleid door furieus tremolerende strijkers en geraas van het klavecimbel.

Van het solistenkwartet was tenor Jeremy Ovenden de enige die af en toe wat onbehaaglijke, naar het nasale neigende geluiden liet horen. Hij compenseerde dat met een loepzuivere intonatie die duidt op een verleden als koorknaap.

Hoogtepunt was uiteraard het alom bekende, met pauken en trompetten opgeluisterde Hallelujah-koor waarmee het tweede deel besluit. Het afsluitende deel, waarin de wederopstanding beurtelings in bezonken en triomfantelijke toonaarden wordt bezongen, is relatief kort, maar biedt vele verrukkingen, met als bekroning opnieuw zo'n geweldig slotkoor, waarin dirigent, orkest en zangers de dooreengevlochten frasen als puzzelstukjes aan elkaar pasten.

Meer over