Kofi Annan

Alles verpest door Bush

Bossema Wim

'Je slaat een man niet op zijn hoofd als hij jouw vingers tussen zijn tanden heeft', luidt het favoriete Ghanese spreekwoord van Kofi Annan.

De spreuk uit zijn vaderland past heel goed bij zijn voorzichtige stijl van opereren als secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Annan vertrekt per 31 december na tien jaar trouwe dienst. Zijn vingers zaten tussen de tanden van de Amerikaanse president George W. Bush.

De Ghanese spreuk staat in de biografie Kofi Annan, een leven in het teken van vrede van de Amerikaan Stanley Meisler, oud-journalist van de Los Angeles Times, dat deze week verscheen. Net iets eerder kwam James Traub van The New York Times Magazine met zijn Annan-biografie: The Best Intentions - Kofi Annan and the UN in the Era of American Power. In beide boeken werpt Bush een lange schaduw over het tijdperk-Annan, dat zo veelbelovend was begonnen en in 2001 met een Nobelprijs werd bekroond. De foto op het omslag van Traubs boek zegt alles: de camera staat scherp op Bush die de VN toespreekt, achter hem kijkt een wazige Annan toe, met sceptische blik en gevouwen handen.

Toen Annan in 1997 werd gekozen, leek alles mee te zitten, schrijft Traub. De Amerikanen wilden hem, de wereld was na bloedige jaren relatief rustig en Kofi Annan kon de VN een nieuw aanzien geven. Iedereen vond hem aardig en integer. Met zijn lange blonde Zweedse echtgenote vormde hij het ideale paar voor het multiculturele elan in een tijd van mondialisering. En toen, plotseling, verpestte Bush alles met de invasie in Irak, meent Traub. De VN kunnen meedoen aan de oorlog of verdwijnen in 'irrelevance', zei Bush. Annan wilde niet meedoen.

In Amerikaanse ogen was hij nu het prototype van de slapheid van de VN, de koning van 'het illusie-imperium van de goede bedoelingen', van de mislukte vredesinterventies, 'dat idealistische, desastreuze geblunder'. Dat beeld vindt Traub niet terecht, en de teneur van zijn betoog is dat de eenzijdige Amerikaans-Britse invasie in Irak (zonder ondersteunende VN-resolutie) de blunder is gebleken.

Meisler legt eenzelfde cesuur in Annans decennium als chef van de VN. De auteur begint zijn inleiding met de Nobelprijsuitreiking op 10 december 2001 aan Annan en de gehele VN. Tóen leek Annan zelfs op Nelson Mandela. Maar: 'In 2001 was Annan murw gebeukt door het Witte Huis.'

Nu het zo vreselijk slecht gaat in Irak, en ook de situatie in Afghanistan alsnog uit de hand dreigt te lopen, lijken de VN van Annan weer uit het gat van de irrelevantie omhoog te kruipen. Niet alleen Traub en Meisler vinden dat Annan meer krediet verdient dan hij tot voor kort uit Washington kreeg, het is het belangrijkste thema in de vele krantenartikelen die rond zijn vertrek verschijnen. Zijn afscheidstoespraken - over zijn passie, de 'plicht tot bescherming' van slachtoffers door middel van humanitaire interventie - werden goed ontvangen.

Maar is het wel terecht om Bush aan te wijzen als de man die de prille idylle tussen de de Verenigde Staten en de Verenigde Naties om zeep heeft geholpen? Zo fijn waren de betrekkingen met de regering-Clinton ook niet, zo valt nog eens terug te lezenbij Meisler. Madeleine Albright zat Annan voortdurend op de huid, eerst als ambassadeur bij de VN, later als minister van Buitenlandse Zaken. Dat ze persoonlijk bevriend waren, maakte niet uit. Ook Clinton was alleen gecharmeerd van Annan zolang die de VN voor het karretje van Washington wist te spannen. Zo niet, dan was het ruzie.

Zoals in 1998 toen Annan persoonlijk naar Irak reisde en een overeenkomst met Saddam Hussein sloot om de wapeninspecties te hervatten - waardoor de grond voor Amerikaanse bombardementen wegviel. Clinton was nijdig. Toen Saddam zijn beloften aan Annan zonder blikken of blozen brak, kon Clinton alsnog tot bombardementen overgaan. Annans triomf werd een afgang, die Clinton hem inpeperde. Over Kosovo botsten ze opnieuw, en Clinton liet de NAVO zonder resolutie Servië bombarderen. Meisler dist he

t aan de hand van vele interviews met betrokkenen allemaal indringend op.

Waar heeft Annan zijn status eigenlijk aan te danken? De VS aarzelden nooit hem te laten vallen als het zo uitkwam; de critici van Washington daarentegen zagen hem vanaf zijn benoeming als een schoothondje van de Amerikanen en namen het hem later kwalijk dat hij zich niet resoluut opwierp als moreel leider van het anti-oorlogskamp in de kwestie-Irak. Zo werd iedereen boos op de man die té aardig wordt gevonden.

De morele hoogtepunten tijdens Annans bewind waren de openhartige rapporten van de VN over drama's die zich eerder bij vredesmissies hadden voltrokken: Srebrenica en Rwanda. Dapper van Annan, want hij was hoofd van de afdeling vredesoperaties voor hij secretaris-generaal (SG) werd.

Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 openden zich vergezichten voor actieve interventies om vrede en vrijheid te brengen voor de VN, maar in werkelijkheid liepen vele ervan uit op bloedige drama's: Somalië, Bosnië, Rwanda. De VN stonden machteloos. Het tastte het gezag van de toenmalige SG Boutros Boutros-Ghali zo aan dat de regering-Clinton een tweede termijn voor hem blokkeerde en de weg vrijmaakte voor Annan.

Meisler beschrijft hoe Annan eigenlijk als compromisfiguur boven kwam drijven. Nooit eerder was een VN-carrièrediplomaat (Annan begon in 1962 aan zijn eerste VN-baantje als kantoorklerk in Genève) tot het hoogste politieke ambt doorgedrongen. Washington wilde hem als 'goede Afrikaan', in tegenstelling tot de eigenwijze, felgebekte Egyptenaar Boutros-Ghali. Maar Annan nam de blaam voor de drama's uit de periode-Boutros-Ghali op zich. Nooit eerder waren de VN zo kritisch op zichzelf en op hun leider.

Meisler besteedt een flink deel van zijn boek aan deze periode. Traub wandelt er snel doorheen, omdat zijn 'biografie' grotendeels gaat over Annans tien jaar als secretaris-generaal. Zo verschrijft hij zich ergens dat in Rwanda duizenden Hutu's worden vermoord in plaats van Tutsi's. Maar ook Meisler heeft moeite met de details: hij verwijst naar een eerdere massamoord in Rwanda in 1972, toen van Tutsi's op Hutu's, maar die vreselijke slachtingen voltrokken zich in het buurland Burundi.

Op zijn beschrijving van de rol van de huidige Tutsi-president Kagame (toen de rebellenleider die de hoofdstad naderde) valt wel wat af te dingen. Moorden achter de linies van de rebellen en het bloedbad dat Kagames strijders later aanrichtten in een Hutu-vluchtelingenkamp onder de ogen van VN-soldaten, vermeldt hij niet.

Maar de kern van de conclusies van het VN-rapport over die periode beschrijft hij goed: de VN-commandant Dallaire in Rwanda had van tevoren gewaarschuwd voor de georganiseerde genocide, en Annan had te weinig gedaan om de Veiligheidsraad daarvan te doordringen. Er hadden velen van de 800 duizend slachtoffers kunnen worden gered. Meisler heeft ook gelijk met zijn verwijzing naar het drama-Darfur, waar eveneens waarschuwingen onder tafel verdwenen.

Het is allemaal bekend, en Annan zelf heeft er officieel over gesproken. Van biografieën mag je verwachten dat de lezer nu ook te weten komt hoe Annan dit allemaal heeft opgenomen. En daarin schieten deze boeken nogal tekort. Voor beide geldt dat de mislukkingen van de VN veel aandacht krijgen en betrekkelijke successen - waarvan de vredesoperatie in Mozambique het toonbeeld was - weinig of niets.

Je zou verwachten dat Annan dit wel zou hebben aangevoerd om het beeld van zijn leven te complementeren. Maar hoewel beide auteurs heel wat uren met hem hebben doorgebracht , is daar weinig van te zien. Voor Traub is Clinton-vertrouweling Richard Holbrooke de dankbaarste bron voor sappige inside-informatie. In Meislers boek is het fascinerendste onderdeel de beschrijving van soms langdurige aanvallen van neerslachtigheid en regelrechte depressiviteit van Annan gedurende de afgelopen jaren.

De hardste klappen kreeg hij bij het schandaal rond het voedsel-voor-olie-pro

Meer over