Knolletjessokken aan de haal

De oudste dichter in deze bundel is Han G. Hoekstra, alweer 22 jaar dood, een briljante kinderdichter die altijd een beetje in de schaduw stond van de vrolijker, opstandiger Annie M.G....

Zo’n gedicht is ‘Leo is ziek’. Zijn vriendje gaat hem opzoeken. Leo, ‘die altijd lacht,/ die zo vlug en zo lang is,/ en voor niemand bang is’, die ligt nu in bed, ‘heel bleek,/ het was net of hij veel kleiner leek.’ De simpele slotregels erin: ‘Op straat scheen de zon,/ een draaiorgel maakte muziek, maar ik dacht alleen maar:/ Leo,/ Leo is ziek.’ Naast dit gedicht staat een illustratie van Margriet Heymans. Hoeveel schroom en bange verwachting kun je leggen in één zwartomrand jongetje? Heymans kan het: zijn aarze22lende stap, een arm tegen de tegen de borst geklemd; dit kind verzamelt moed.

De jongste dichter (26) heet Jan Robben. Ook hij durft te kiezen voor iets banaals, ‘Knolletjessokken’, waarover je toch het hoofd kunt breken: ‘Gek dat mensen / sokken gevangen houden/ in het donker van hun kasten./ Tot pijnlijk strakke knolletjes gedraaid/ in een achterwaartse salto/ flikflak met dubbele knopen/ alsof iedereen bang is/ dat ze weg willen lopen.’ Het is de eerste keer dat knolletjes sokken protagonisten zijn in echte poëzie. Op de tekening van Sebastiaan Van Doninck glippen de sokken, op sprietige benen, er als hazen vandoor.

Schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Joke van Leeuwen had het voor het kiezen. Ons Erfdeel, een Vlaams-Nederlandse culturele vereniging, vroeg haar een boek samen te stellen met haar favoriete vijftig gedichten voor kinderen, van Nederlandse en Vlaamse dichters die na 1945 debuteerden.

Ze las stapels gedichten. Vaak gingen ze over herkenbare kinderervaringen. Of over dieren, al dan niet met kleertjes aan. Van Leeuwen zocht naar gedichten met ‘net dat slagje extra’: in de formulering, of de sfeer. Bij elk gedicht vroeg ze een kunstenaar speciaal voor dit boek een illustratie te maken. Het resultaat is uniek: deze gedichten, met deze illustraties, komen maar één keer langs.

Wat een rijkdom, in 112 pagina’s. Kinderpoëzie, dat is de Nederlandse literatuur op haar best. De illustraties zijn stuk voor stuk van hoog niveau. Nuchter en realistisch vaak. Zoals dat gedicht van Karel Eykman, over een meisje dat een vogel vangt. ‘Ze voelt het hartje kloppen./ Opeens knijpt ze zo hard mogelijk./ Vogeltje dood/ en niet per ongeluk’. Peter Vos tekende er een schitterend, zeer dood vogeltje bij. Kinderen zijn niet onschuldig, het zijn kleine, wrede mensen.

Van zichzelf nam de samenstelster niets op. Of toch: de omslagillustratie. Een maan, met een potlood- en een penpunt, een kwast als neus en een brede lach. Van Leeuwen ten voeten uit.

Meer over