Kleintjes gaan uit de Cultuurnota

Honderd tot honderdvijftig kleinere kunstinstellingen worden uit de Cultuurnota overgeheveld naar de publieke kunstfondsen. De nationale operagezelschappen, de symfonie-orkesten en de rijksmusea krijgen voortaan een aparte beoordeling door een internationaal samengestelde visitatiecommissie....

Van onze verslaggever Joost Ramaer

Dat zijn de voornaamste veranderingen die staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan wil aanbrengen in het kunstsubsidiestelsel. Zij wil ‘de verticale subsidiecarrière’ richting Cultuurnota vervangen door ‘een breed, horizontaal palet aan passende arrangementen’ met kortere en eenvoudiger procedures.

Eens in de vier jaar verdeelt de staatssecretaris de rijkskunstsubsidies in de Cultuurnota, na advies door de Raad voor Cultuur. Sinds de eerste ronde in 1992 steeg het aantal aanvragers veel harder dan het totale subsidiebedrag. De beoogde vernieuwing kwam niet tot stand: 95 procent van het budget gaat naar dezelfde instellingen. Tenslotte gaan de aanvragen en de beoordeling daarvan gepaard met grote bureaucratische rompslomp.

‘Grote en kleine instellingen worden nu over één kam geschoren’, aldus Van der Laan. ‘Dat is niet goed. Het systeem is te druk met de kleintjes. De groten krijgen relatief te weinig aandacht.’ Daarom wil zij honderd tot honderdvijftig kleinere instellingen uit de Cultuurnota overhevelen naar de publieke fondsen die nu al met rijksgeld korter lopende subsidies verstrekken.

‘Bij elkaar gaat het om 10 procent van het budget en 40 procent van de instellingen in de huidige Cultuurnota.’ Drie groepen ‘grote jongens’ blijven wel in de nota, maar worden voortaan iedere vier jaar beoordeeld door internationale visitatiecommissies, samengesteld door de Raad voor Cultuur. Het gaat om de symfonie-orkesten, de twee nationale operagezelschappen en de rijksmusea. Bij de musea blijft de visitatie beperkt tot hun beheer van de gebouwen en van de rijkskunstcollecties.

‘Het gaat hier om groepen instellingen met zo’n nauwe onderlinge samenhang dat zij het beste als bestel kunnen worden beoordeeld’, zo verklaart Van der Laan deze opzet. Meest opvallende afwezigen zijn NDT en HNB, de grote dansgezelschappen die sterk internationaal werken. ‘Wij wilden geen aparte instellingen gaan aanwijzen’, aldus Van der Laan. ‘Dan krijg je eeuwige discussies met de instellingen die je niet selecteert.’

De staatssecretaris is niet bang dat zij de almaar groeiende rij aanvragers slechts verplaatst van haar ministerie en de Raad voor Cultuur naar de kunstfondsen. ‘Die krijgen het drukker, dat is waar. Maar zij mogen naast hun korte projectsubsidies straks ook voor vier jaar subsidiëren. Dat geeft de fondsen, en de aanvragers, meer mogelijkheden.’ Bovendien komt er een aparte pot voor programmasubsidies waarop iedere kunstinstelling kan intekenen.

Tenslotte wil Van der Laan de vierjaarlijkse subsidieverdeling loskoppelen van de Cultuurnota, die daardoor weer meer een beleidsdocument voor een kabinetsperiode kan worden. De Raad voor Cultuur wil zij reduceren van de huidige vijftien tot zeven of negen leden. Na goedkeuring door de Tweede Kamer moet het nieuwe stelsel ingaan bij de volgende subsidieverdeling in 2007.

Meer over