Kleine ergernissen

Vrouw, 50, gegoede tweeverdiener, woont in Amsterdam, pleit voor betere naleving van regels door burgers en politie...

'Het zijn vaak alledaagse, kleine ergernissen, waar andere mensen misschien hun schouders over ophalen. Fietsers die over het trottoir of door rood licht rijden, automobilisten die zich agressief gedragen, of vandalisme. Ik spreek mensen daarop aan, altijd, dat zit in mijn aard.

Natuurlijk, het is niet zonder risico, maar daar sta ik meestal niet bij stil. Als jongens in de bus met een mes in de bekleding zitten, kan ik dat niet negeren. Ik moet dan wel even slikken als ik uit die bus stap en zij doen dat ook, wat me eens overkwam. Maar dan denk ik: in het ergste geval kan ik een pak slaag krijgen. Het is tot nu toe altijd goed afgelopen. Ik spreek mensen ook op een redelijke toon aan, zodat ze het serieus nemen en begrijpen. Het is niet altijd boos opzet van die ander.

Je moet het gevaar natuurlijk niet opzoeken. Als er drank en pillen in het spel zijn, zijn mensen niet meer voor rede vatbaar. Dan denk ik: wees voorzichtig want je praat niet meer met iemand die redelijk kan denken. De volgende dag zal zo iemand denken: goh, wat was ik een beest gisteravond.

Maar het bevreemdt mij dat niemand er wat van zegt als mensen door die hartstikke drukke Kalverstraat fietsen, wat toch een voetgangersgebied is. Ik zeg daar wél wat van. Dan kijk ik naar die gezichten om me heen en denk: jullie vinden het dus allemaal normaal dat iemand je zowat van de sokken rijdt. Mijn buurvrouw is slecht ter been en is al een paar keer ondersteboven gereden met haar loopkarretje. Dat is toch te gek voor woorden. Daar doe ik het óók voor.

Ik vind dat het wettig gezag zich op dat gebied wel meer mag manifesteren. Want ik roep zo'n fietser beleefd tot de orde, terwijl de politieagenten die regelmatig door mijn straat patrouilleren er niets van zeggen. Ik zou graag een beetje steun krijgen van mensen die dat beroepshalve kunnen doen. Ik weet dat hun eerste prioriteit hier het drugsprobleem is, maar die kleine dingen kunnen ze er toch bijdoen als ze gewoon pratend langslopen.

Ze zijn wél de autoriteit. Als de nieuwe Amsterdamse politiecommissaris Jelle Kuiper zegt dat hij dat soort kleine verloedering wil aanpakken, heeft hij nog veel te doen. Hij zal het er eerst bij zijn eigen korps moeten inhameren. Sommige burgers halen weliswaar hun schouders op voor dat uniform, maar het is raar om van burgers te verwachten dat zij zelfregulerend optreden, terwijl het gezag het erbij laat zitten. Wijs dan mensen terecht voor zo'n kleine overtreding als je er toch loopt. Het gevaar is dat mensen gaan denken: de politie vindt het toch óók goed.

Maar de burger houdt zijn eigen verantwoordelijkheid. Ik ben een keer een voetganger te hulp geschoten die op een zebrapad bijna door een auto werd geschept. Toen die voetganger daar boos op reageerde, kwam die man uit zijn auto en spoot hem met een spuitbusje in het gezicht. Ik heb die automobilist toegeschreeuwd of hij helemaal gek was, dat ik zijn nummer had genoteerd en dat we er werk van zouden maken. Hij reed meteen weg. Die voetganger heb ik mijn telefoonnummer gegeven, gezegd dat ik wilde getuigen en hem op het hart gebonden meteen naar het politiebureau te gaan. Maar ik heb nooit meer iets van hem gehoord. Ja, dan houdt het op.

Ik ben in zulke situaties vreselijk verontwaardigd en laat me dan door niets en niemand weerhouden. Als ik fiets, moeten ze me ook niet in de bocht klem rijden. Ik geef dan een klopsignaal op die auto, waar automobilisten erg van schrikken, want ze denken meteen aan blikschade. Dan kan het gebeuren dat ze uitstappen.

Ik werd eens gesneden door een taxichauffeur toen ik met mijn zoontje in het centrum fietste. Ik sprak hem daar op heel redelijke toon over aan. Zo van: meneer u brengt ons in een onmogelijk parket, u rijdt ons helemaal klem. Begint die man: vúile smérige teméier, jij kunt je geld op je rug verdienen en ik moet er keihard voor werken. Ik heb nog even mijn kleren bekeken om te zien of ik er echt zo uitzag. Ik was zo verbouwereerd. Ik heb die man gezegd dat ik op dat niveau niet kon discussiëren. Helaas vergat ik zijn nummer te noteren, want ik had natuurlijk een klacht moeten indienen.

Ik kan het van twee kanten bekijken, want ik rij ook auto. Ik vind het bijvoorbeeld belachelijk dat ze die regel willen invoeren dat een automobilist altijd aansprakelijk is bij een ongeluk met een fietser of voetganger, tenzij hij het tegendeel kan bewijzen. Dan denk ik, nou overheid, dan moet je ook een aantal eisen stellen aan die fietsers. Die halen soms de vreselijkste manoeuvres uit, dan schrikt een automobilist zich rot.

Zo verzet ik me tegen allerlei dingen die steeds meer mensen gewoon lijken te gaan vinden. Verzekering oplichten, zwart werken en fraude met belasting, uitkering of huurwoning. Soms voel ik me de laatste der Mohikanen. Maar ik wil geen maatschappij waarin dat normaal gevonden wordt. Het is toch vaak gemeenschapsgeld, waarmee allerlei basisvoorzieningen worden betaald, zoals gezondheidszorg, dingen die in arme landen zo node gemist worden. We hebben in ons huis veel laten opknappen, een dure keuken ingebouwd bijvoorbeeld, maar nooit zwart. Het is waar dat ik me dat met mijn salaris kan permitteren, maar tien jaar geleden leefde ik nog van een minimum en dacht ik er ook zo over.

Ik denk dat mijn opvattingen veel te maken hebben met mijn jeugd. Ik kom uit een arbeidersgezin, godsdienst speelde geen rol, maar mijn ouders hadden een sterk moreel besef. Als er op straat een portemonnee werd gevonden, moest dat aan de politie worden gemeld. Ik herinner me dat mensen huilend aan de deur kwamen om te kijken of het hun portemonnee was en hoe gelukkig ze waren dat ze hun geld terug hadden.

Wat ik me ook goed herinner, is dat we in Duitsland met vakantie waren, ik zie mijn vader nog die heuvel opsjouwen, in mijn herinnering een berg, om boodschappen te gaan doen. Bleek thuis dat we te veel geld terug hadden gekregen, dus wij weer terug in de bloedhitte die berg op om dat keurig terug te brengen. Want, zo redeneerden mijn ouders, dat kon wel eens de winst zijn van die mensen.

Ik heb als kind ook nachten wakker gelegen toen mijn broertje een pakje Bazooka-kauwgum van vijf cent had gestolen. De melkboer had dat aan de school gemeld en de directeur kwam bij ons thuis. Ik dacht toen in mijn kinderlijke onschuld: oh, mijn broertje, die gaat helemaal het verkeerde pad op. Achteraf kun je daar ontzettend om lachen, maar het was zo ingrijpend.

Die mentaliteit heb ik nog steeds, zelfs zozeer dat het tot absurde situaties leidt. Na mijn scheiding, toen ik nog een klein inkomen had, mocht ik van mijn ex een televisie gaan kopen. Ik nam een televisie zonder Teletekst, want mét was honderdvijftig gulden duurder. Thuis bleek die tv toch Teletekst te hebben. Ik terug naar die winkel, waar ze me aankeken of ze een gek aan de toonbank hadden. Die mannen die de televisie later kwamen omruilen, zeiden: mens, je bent helemaal belazerd, had hem toch gehouden!

Achteraf heb ik er wel erg om moeten lachen. Dan ga ik ook wel eens twijfelen aan mezelf. Een gevoel van gêne: wat ben je toch een brave Hendrik. Maar als ik erover nadenk, vind ik het toch goed. Een paar weken geleden hadden ze in een winkel een duur overhemd vergeten af te rekenen. Dat heb ik toch even rechtgezet, dat vind ik niet horen.'

Frits van Veen

Meer over