Klassiek

* * * *..

Frits van der Waa

Händel: Alcina. Il Complesso Barocco o.l.v. Alan Curtis. DGG.

* * * *

Händel: Ezio. Il Complesso Barocco o.l.v. Alan Curtis. DGG.

Een dikke veertig opera’s heeft Händel op zijn naam, en in de afgelopen tien jaar heeft de Amerikaanse klavecinist en dirigent Alan Curtis daarvan ruim een kwart vastgelegd bij verschillende cd-labels. De complete lijst zal Curtis (74) wel niet meer halen, maar wie weet voltooit zijn ensemble Complesso Barocco het project ooit, in 2030 of daaromtrent.

Bij DGG verschenen onlangs twee nieuwe afleveringen. Alcina is daarvan de bekendste; een sprookjesopera met een tovenares als hoofdpersoon waarin de perikelen van de liefde het eigenlijke onderwerp zijn. Puttend uit zijn vaste zangersvoorraad heeft Curtis een prima cast bijeengebracht, onder wie vooral Maite Beaumont als de door Alcina ingepalmde Ruggiero sterk voor de dag komt. Joyce DiDonato is in de titelrol ook uitstekend op dreef. De muziek is fraai, vooral waar Händel toonladdervreemde (maar later toch verklaarbare) tonen introduceert om de zinsbegoocheling te schilderen.

Veel minder bekend is Ezio, een opera over een Romeinse veldheer, waarin het voornamelijk draait om de strubbelingen van de liefde. De hoofdpersoon Ezio of Aetius heeft echt bestaan en zal ook lezers van de strip Eric de Noorman niet onbekend voorkomen. Alleen liep het met de historische Aetius slecht af, terwijl de opera een happy end heeft. Op een of andere manier zit er niet voldoende drive in het verhaal, wat de betrekkelijk ondergeschikte positie van deze opera in Händels oeuvre enigszins verklaart. Aan Curtis en zijn zangers ligt het niet. Er zijn razende coloraturen, Ann Hallenberg zet een mooi sonore Ezio-partij neer (die was oorspronkelijk geschreven voor de castraat Senesino), met fraai weerwerk van Karina Gauvin als Fulvia en een felle Sonia Prina als de keizer Valentiniano.

Uit 1965, maar verrassend fris
* * * *

Händel: Serse. Vienna Radio Orchestra olv Brian Priestman (3 cd’s).

De opname van Händels Serse die DGG onlangs uitbracht is bijna vijfenveertig jaar oud, maar klinkt nog verrassend fris. Van historisch musiceren was in 1965 nog geen sprake – er zit een gemengde bibberklank in de violen en recht voor de microfoon staat een spijkerkast van een klavecimbel – maar de uitvoering kan zich verder meten met menige hedendaagse Händelvertolking. Onder de zangers gooien vooral Lucia Popp (Romilda) en Maureen Forrester (Serse) hoge ogen. Wat ook helpt, is dat Händel in deze opera over een Perzische generaal, die eigenlijk alleen maar over liefdesverwikkelingen gaat, het vaste keurslijf van aria’s en recitatieven voorziet van allerlei veel vrijere tussenwerpsels en briljante invallen.

Meer over