KLASSIEK: Sigiswald Kuijken laat Pergolesi's intermezzi weer sprankelen

Pergolesi: La serva padrona; Livietta e Tracollo. La Petite Bande en solisten o.l.v. Sigiswald Kuijken. Accent 96123...

ROLAND DE BEER

Gemankeerder dan het genie Giovanni Battista Pergolesi kan een muziekgenie bijna niet zijn. We kennen hem van een Stabat Mater in foute uitvoeringen (in romantische oratoriumstijl), en van een fameus operaatje (La serva padrona) dat bijna nooit wordt gespeeld. We kennen hem ook van flarden in Stravinsky's ballet Pulcinella, waarin Pergolesi de achttiende-eeuwse brandstof levert voor twintigste-eeuwse wervelingen.

Verder kennen we Pergolesi van muziek die hij helemaal niet geschreven heeft, zoals de strijkersconcerten waarvan het auteurschap niet lang geleden bleek te berusten bij de Nederlander Van Wassenaer. Bent u daar nog?

Pergolesi componeerde ernstige opera's en komische, hij schreef intermezzi, sonates, oratoria, concerten en een Mis, en als hij op zijn zesentwintigste niet was doodgegaan, was Mozart misschien wel een Weense Pergolesi geworden - zo fraai paart Pergolesi instrumenten aan stemmen, en zo geraffineerd is zijn gecombineerde hergebruik van elementen uit tegenstrijdige muziekgenres.

En dan komt Sigiswald Kuijken, de Vlaamse barokspecialist, die het 25-jarig bestaan van zijn orkest La Petite Bande viert met uitvoeringen en een cd van Pergolesi's operaatjes La serva padrona en Livietta e Tracollo. En wat zegt Kuijken in het cd-boekje: 'De kwaliteit van oude meesters berustte vaak minder op hun originaliteit dan op het meesterschap over hun kunst. Dat was ook het geval met Pergolesi.' Arme Pergolesi (1710-1736).

Maar dat is het enige dat we Sigiswald Kuijken mogen verwijten. Op de cd zelf doet Kuijken alles om Pergolesi's originaliteit te onderstrepen.

De sopranen Nancy Argenta en Patricia Biccire en de bassen Werner van Mechelen en Donato di Stefano zijn aanstaande zondag de solisten bij Kuijkens jubileumoptreden in Amsterdam, in semi-scènische opvoerinkjes van La serva padrona en Livietta e Tracollo. Zij zongen hun rollen vorig jaar in de Opera van Brussel, en ze doen het ook op deze cd, waar de nootjes en de groteske mini-plots van Pergolesi's intermezzi tot uitvoeringen leiden die niet alleen bruisen en sprankelen, maar in de beste buffo-sfeer ook vertederen en verwarmen.

Een rijke man lijdt onder de bazigheid van zijn dienstmeid en wenst een sterke echtgenote; de dienstmeid wordt zijn echtgenote. Ziedaar La serva padrona, opgevoerd in 1733 tussen de bedrijven door van Pergolesi's ernstige opera Il progionier superbo. Een dame wil wraak op de dief die haar broer bestal; de dief huwt de dame. Dat was Livietta e Tracollo, opgevoerd in de pauzes van weer een andere opera.

Bij uitstek toegerust voor de tonggymnastiek van driftig buffo-Italiaans zijn Italiaanse vocalisten als Patricia Biccire en Donato di Stefano in 'De Dienstmeid als Bazin'. Hen gaat het op de spits gedreven papperlepap beter af dan Nancy Argenta en Werner van Mechelen in 'De Dief als Bruîgom'. Maar ook in Van Mechelen huist een buffobas, zo blijkt in het duet 'Vado, vado', en Argenta weet hoe een sopraan zich transformeert tot pluimvee. Even goed als Biccire in de piep-aria 'Stizzoso' uit La serva padrona. Di Stefano doet goede pogingen tot redeloos schuimbekken.

Kuijken houdt er de vaart in, en weet raad met de snufjes die Pergolesi toepast in het strijkorkest. De weerschijn van een opgewonden sopraan in violistisch agitato. Het colla parte van celli en contrabas met een grommende baszanger. Het fluitend-zorgeloze van een A en nog een A op de open snaar, in het A-grote terts van de slotduetjes.

In Parijs leidde een voorstelling van La serva padrona in 1752 tot een guerre des bouffons tussen supporters van Italiaanse en Franse operagenres. Toen we op de Hollandse tv ooit de grote bas Guus Hoekman in dit stuk om een kopje chocola hoorden zeuren bij de dienstmeid, begrepen we niet hoe Jean-Jacques Rousseau zo opgewonden was geraakt. Door Kuijken en zijn equipeje valt het weer te snappen.

Nu nog La serva padrona als tussenspel van de opera Il prigionier superbo, en dat andere intermezzo gewoon spelen tussen de bedrijven door van Adriano in Siria. Kan Kuijken daar ook voor zorgen?

Berlioz: L'enfance du Christ, o.l.v. Philippe Herreweghe. Harmonia Mundi France 901632.33 (2 cd's).

Tot de fraaiste invallen van Hector Berlioz hoort het koor L'adieu des bergers à la Sainte Famille - neergekrabbeld in 1850 tijdens een receptie waar de componist zich stierlijk zat te vervelen. Het serene herdersafscheid van het kindje Jezus kreeg een plaats in De vlucht naar Egypte, een 'mysterie in oude stijl', en dat werkje werd op zijn beurt het tweede luik van een grote 'trilogie sacrée', getiteld L'enfance du Christ.

Naast een paar bladzijden die Berlioz vergeten heeft eruit te halen, bevat deze trilogie een aantal betoverende scènes, die bij elke beluistering nieuwe schoonheden prijsgeven. Philippe Herreweghe voert het stuk uit met zijn ensembles Chapelle Royale, Collegium Vocale en Orchestre des Champs Élysées, en met solisten als Véronique Gens en Olivier Lallouette. De manier waarop, daar moet je van houden. Mooie, rulle koorklank. Gonzend orkest (oude instrumenten). Weinig profiel in het ritme. Een gesoigneerde, maar botloze Berlioz.

Roland de Beer

Meer over