Kissebissend wachten op de dood

Geen wonderlijker sfeer dan die van oorlogsdreiging. Milo* Crnjanski voert een gezelschap zonderlingen ten tonele die in het Rome van 1940 aan de vooravond staan van een vrijwel zekere ondergang....

Michaël Zeeman

In het voorjaar van 1940 klit in Rome een stelletje zonderlingen en zwetsers bijeen, die de gelatenheid proberen te verdrijven met elkaars gezelschap. Het zijn de dagen die weken, die maanden en ten slotte anderhalf jaar zullen worden, en waarin iedereen vrijwel zeker weet dat morgen of hooguit overmorgen de Tweede Wereldoorlog ook Italië zal aandoen. Dan gaan wij wat beleven, is de verwachting, dan wordt Rome gebombardeerd zoals Rotterdam, en Venetië. Stuk voor stuk weten zij zeker wat Italië te wachten staat, de soldaat, de journalist, de dokter, de drinkebroer en de parvenu. Al kakelend hitsen zij elkaar op. Maar tot hun zekerheden en voorspellingen werkelijkheid worden, is het afwachten geblazen.

Geen wonderlijker sfeer dan die van oorlogsdreiging, terwijl die oorlog zelf uitblijft. De vrees wordt verwachting, de verwachting spanning – en de spanning wordt geleidelijk aan ondraaglijk. Er komt een moment waarop mensen gaan hopen dat de grote kladderadatsch morgen nu eindelijk eens begint. Men doodt de tijd in afwachting van het grote maaien van de dood, tot er geen tijd meer is om te doden. De Romeinse ondergangsprofeten uit Milo* Crnjanski’s Bij de Hyperboreeërs doen het op niveau, op de terrassen rond de Piazza del Popolo en de promontoire daarboven, de Pincio, drinkend en babbelend over de geschiedenis van Rome, de grote dichters van het oude en het nieuwe Rome, de wereldpolitiek en de mooie vrouwen.

Bij de Hyperboreeërs is het logboek van een eindeloze drôle de guerre. Crnjanski was in de beschreven periode persattaché namens het koninkrijk Joegoslavië bij de ambassade van zijn land in Rome. In zijn vaderland genoot hij bekendheid als dichter en publicist, een vernieuwende dichter en chagrijnige commentator. Zijn boek heeft hij pas achteraf geschreven, jaren later, toen hij als mokkende balling van het communistische Tito-regime in Londen in een schoenenzaak werkte. Hij stileerde zijn herinneringen, maar bleef zo dicht bij zijn authentieke belevenissen, dat Bij de Hyperboreeërs een roman noch een waarheidsgetrouwe terugblik is. Het is een sfeerschildering, een gala van galante lanterfanters, die, glas in de hand, met een half oog de hemel afspeuren op bommenwerpers.

De verteller heeft voordien in het barre noorden van Europa gereisd, in de wereld die de oude Romeinen huiverend die der Hyperboreeërs noemden. Hij probeert zijn vrienden en kennissen en de toevallige voorbijgangers in ontbijtzalen of foyers van de betere hotels te amuseren met zijn verhalen van kalvende gletsjers in wonderlijke kleuren en zuigende ijsvlaktes. Crnjanski raakt er niet over uitgepraat. Maar zijn Italiaanse gehoor verkiest na verloop van tijd de verveling boven zijn onuitputtelijke gezanik.

Het is een vreemd boek, dat tegelijkertijd een afgebakend tijdsbeeld probeert te schetsen en een tijdloze gids van Rome poogt te zijn. ‘Roman over Rome’, zet de Nederlandse uitgever erop. Maar het is niet zonder meer een roman, en het Rome dat erin ter sprake komt is eerder een stolling dan een levende stad. De gespannen kissebissende vrienden kennen de stad als een reeks poëtische aanleidingen voor dichters van Catullus tot Carducci. Hun tochten door de stad zijn verkenningstochten door de cultuurgeschiedenis, want zij maken gelaten de boedelbeschrijving op van wat vast en zeker in puin gebombardeerd zal worden.

Een aantal stadbewoners in isolement, wachtend op het einde en het wachten dodend met verhalen: als dat geen uitdrukkelijke toespeling op Giovanni Boccaccio’s Decamerone is. Daarin wachtten middeleeuwse Florentijnen op het wegebben van de pest in hun stad, hier wachten 20ste-eeuwse Romeinen op de algehele vernietiging. Wachten op het einde van de Zwarte Dood was wachten op een nieuw begin, wachten op de dood zelf sluit herbeginnen bij voorbaat uit. Daar zit een cultuurfilosofie in, namelijk die van het uitstel. Er hoeft niet meer geleefd te worden, want het leven zal aanstonds toch ten onder gaan. ‘Wijs is degene die gisteren heeft geleefd’, luidt een regel van Martialis die een van de vrienden aanhaalt, ‘zelfs als je vandaag nog zou beginnen met leven, ben je al te laat.’

Wonderlijk boek: ik kan niet zeggen dat ik het goed vind; daarvoor is het te rommelig en te wijdlopig. Maar die vreemde landerigheid is zo besmettelijk getroffen, dat je er nog een pittige stadswandeling voor nodig hebt om haar kwijt te raken. In Rome, maar dat spreekt voor zich. Michaël Zeeman

Meer over