Kinky stad tussen angst en macht

Toen Philippe Remarque eind jaren negentig als Volkskrant-correspondent naar de nieuwe hoofdstad van het herenigd Duitsland kwam, wilde hij, jong als hij was, niet te veel omzien naar het schuldig verleden....

Daar zat wat in, maar ook voor de generatie na Armando en Cees Nooteboom blijven de Boze Geesten van Berlijn alomtegenwoordig. Al meteen, op zoek naar een huis, bleek de vorige huurder Von Ribbentrop te heten: ‘keurige familie’, zei de eigenares. En toen Remarques dochtertje heerlijk in de regen met haar laarsjes stampte in de plassen op de stoep, bleken de gaten in het trottoir een herinnering aan de Britse bommen te zijn. ‘Zo gaat dat in Berlijn’, schrijft hij in vrolijke verwarring op de eerste pagina’s van zijn boeiende boek (Boze geesten van Berlijn): ‘Berlijn heeft meer geschiedenis dan goed is voor een stad.’

En zoals een goed correspondent betaamt wilde ook Remarque bij het verlaten van zijn post, zes jaar later, de balans opmaken. Geen historisch-politieke verhandeling, geen toeristengids, maar een persoonlijk verslag van de plekken, de lieux de mémoire die hem fascineerden. En wat is er dan mooier om te beginnen met de meest vertrouwde plek: je eigen huis? Dat oude huis, uit de protserige keizertijd, waar nieuwrijken en hippies hadden gewoond, had een kale voorgevel. De oorspronkelijke gevel die eruit had gezien als een barok straatorgel, was in de naoorlogse jaren vijftig bij een gemeentelijke zuiveringsactie verwijderd, alsof daarmee het lelijke verleden radicaal werd uitgewist. Verschrikkelijk. Mocht de wereld niet meer weten hoe keizer Wilhelm II van Berlijn de grootste en machtigste stad ter wereld had willen maken? In iets meer dan veertig jaar, van 1871, toen Bismarck Duitsland verenigde, tot aan de Eerste Wereldoorlog, was de bevolking verviervoudigd. Ondernemers, industriëlen, avonturiers, kunstenaars en intellectuelen waren als door een magneet naar Berlijn getrokken. Eenderde van de Nobelprijzen ging naar Berlijnse (hoofdzakelijk joodse) wetenschappers.

In die bedreigende begintijd verrees ook de imponerende Rijksdag, het parlementsgebouw dat de keizer een apenhuis noemde. Hij was geen democraat en kwam er zelden. Hitler vond dit architectonische wangedrocht prachtig. Gelukkig dus maar dat het grotendeels vernield werd. Maar bij de zuiveringsactie die Remarques huis trof, werd De Rijksdag gespaard. En na de Wende, toen Berlijn opnieuw de hoofdstad werd, besloot men de Rijksdag weer op te bouwen. Natuurlijk niet in volle glorie. Alleen een buitenlander, de Brit sir Norman Foster, mocht zich eraan wagen. Het was te riskant om de opracht aan een Duitser te geven.

Bij de officiële heropening in 1999 kon verslaggever Remarque zijn fiets gewoon tegen de zijgevel zetten. Dat was hem zelfs in Den Haag, waar hij nu als parlementair redacteur werkt, bij zo’n plechtigheid niet gelukt. Foster had geen koepel op het gebouw willen zetten, maar uiteindelijk capituleerde hij. De glazen koepel werd de grote toeristenattractie van Berlijn. Maar is die koepel nu een overwinning van de democratie, het symbool van de Berlijnse republiek of een overwinning van de behoudzucht? Daar werd fel en heftig over gediscussieerd.

Remarque, die niet van moraliseren houdt, slaagt er wonderwel in om met zijn laconieke schrijfstijl duidelijk te maken waarom die debatten in media en parlement altijd weer zo genadeloos hard en fel zijn; ja, waarom alles herleid wordt tot een principiële gewetensvraag, het zoeken naar de zuivere waarheid. De Brit Foster – en ook dat leidde tot boze protesten – liet graffititeksten van Russische soldaten op de muur zitten. Voor de Russen was de verovering van de Rijksdag het symbool van de overwinning. Daar moesten ze de Rode Vlag planten. En daar, dachten ze, woonde Hitler. Vandaar die geladen graffititeksten. Ze werden gekuist, maar Remarque leidt de geïnteresseerde bezoeker naar het verloren zinnetje ‘ik neuk Hitler in zijn kont’.

Het nieuwe Kanzleramt, het Duitse antwoord op het Witte Huis, het Elysée, het Kremlin en 10 Downing Street, mocht wel door een Duitser, Axel Schultes, gebouwd worden, mits het ‘vertrouwen, bescheidenheid en waardigheid uitstraalt’. Geen grote gebaren dus, en lage plafonds. Bij de opening op 2 mei 2001 zei kanselier Schröder dat ‘wij ons zelfbewustzijn als volwassen natie niet in steen hoeven te beitelen’. Architect Schultes sprak over de ziekte van de Duitsers, ‘de angst voor zichzelf’.

‘Het visioen van toekomstige macht’, is, zoals Cees Nootboom schreef, op de Potsdamer Platz wel te ontdekken. Op en nabij het eens zo drukke plein waar in 1925 het eerste verkeerslicht in Europa werd geplaatst, verrezen de afgelopen jaren de trotse bouwwerken die Berlijn moeten maken tot hoofdstad van Europa. Maar Rem Koolhaas liep razend weg uit de jury van het Potsdamercomplex. Hij zei dat Berlijn een ‘kleinburgerlijk, ouderwets, reactionair, onrealistisch, banaal, provinciaal en vooral amateuristisch stadsbeeld kreeg’. In 2003 kreeg Koolhaas voor zijn Nederlandse ambassade de architectuurprijs voor de stad Berlijn. De prijs werd uitgereikt door dezelfde stadsarchitect die Koolhaas enkele jaren tevoren had vernederd. En zonder rancune; fascinerend vind ik dat. Maar toch, met al die dynamiek, lukt het Berlijn maar niet een echte metropool te worden. De politici zijn terug, de kunstenaars ervaren ongekende mogelijkheden, maar de ondernemers, de bankiers, ontwerpers en ICT’ers laten zich niet snel verlokken. Berlijn is weer wel, als in de decadente Weimar Republiek van vóór 1933, de meest ‘kinky stad ter wereld’.

Berlijn schenkt veel aandacht aan de miljoenen slachtoffers van Hitlers terreur. Hoe kleiner de monumenten, hoe ontroerender Remarque ze vindt. Hij heeft bedenkingen bij het Joods Museum van Daniel Libeskind. De bezoeker moet er zelf een rol spelen en een ‘gevoel van desoriëntatie’ krijgen in de doolhof van scheve vloeren, oplopende gangen en zware muren. Veel mensen raken aangeslagen in de holocausttoren; en dan moeten ze nog lopen over ijzeren gezichtjes, alsof ze met SS-laarzen onschuldige slachtoffers vertrappen. ‘De holocaust als “belevenis”, als korte attractie, het schijnt bij de tijd te passen, maar het heeft toch ook iets van het spookhuis op de kermis’, meent Remarque.

Ook het Holocaustmonument, de zuilengalerij van de Amerikaanse architect Peter Eisenman was omstreden. En het was uiterst pijnlijk toen bleek dat Degussa, het bedrijf dat de anti-grafitticoating voor de kale muren leverde, in de oorlog het gifgas had gemaakt waarmee miljoenen mensen werden vermoord. Het was te laat om van leverancier te veranderen. Het monument kwam er, prominent te midden van de andere symbolen van het Nieuwe Duitsland. ‘Welk ander land doet dat?’, vraagt Remarque en hij kan ‘enige bewondering voor de Duitsers niet onderdrukken’.

Remarque houdt van Berlijn, als correspondent heeft hij er al veel over bericht, maar in deze persoonlijke herinneringen aan de eeuwige bezwering van de boze geesten valt alles bewonderenswaardig op zijn plaats. In de volgende druk moet alsnog een personen- en plaatsenregister worden opgenomen.

Philippe Remarque: Boze geesten van Berlijn. Mets & Schilt; 380 pagina’s; ¿ 25,-. ISBN 90 5330 453 3.

Meer over