Kinderpoëzie voor een roebel per regel

In Rusland kon een schrijver tussen de Revolutie en de Tweede Wereldoorlog een aardige boterham verdienen met kindergedichten. Absurdisten als Daniil Charms en Kornej Tsjoekovksi, vervolgd om hun werk voor volwassenen, kregen er een roebel per regel voor....

Pjotr van Lenteren

Geen gek idee: kinderpoëzie bood onder het communistische regime een relatief veilige uitlaatklep. In kolderrijmpjes konden dichters zich van den domme houden en ondertussen toch overduidelijk de tong uit steken naar de overheid. En dat gebeurde dus ook massaal in het land waar schrijven heilig is en kinderliteratuur helemaal niet kinderachtig. De in deze bundel opgenomen auteurs – Charms, Jesenin, Majakovski, Mandelstam, Marsjak, Tsjoekovski, Vladimirov en Vvedenski – maken er een allerminst tuttige bedoening van.

De tomeloze energie van de spelende dichters leidt tot een levendigheid die fris en modern aandoet. Opstandigheid past bij het kindergedicht. Dat wist Annie M.G. Schmidt al, en de hier gepresenteerde gedichten hebben wat sfeer betreft veel met haar werk gemeen: speels, licht en antiautoritair. En nergens pretentieus of over de hoofden van kinderen heen.

Dat is des te indrukwekkender, als je weet dat Daniil Charms, in het Westen de meest bekende van dit gezelschap, de stalinistische aandacht op zich bleef vestigen en uiteindelijk werd gearresteerd en krankzinnig verklaard. Hij stierf in een psychiatrische inrichting.

Charms is met negentien gedichten het ruimst vertegenwoordigd in de bundel. Dat is niet helemaal terecht. De gedichten, vol herhalingen en stapelingen en gekke dialogen, zijn knap vertaald en Charms is indrukwekkend vormvast, maar ze zijn soms ook wel een tikje te leeg en te lollig; alleen het zeer geslaagde De heel erg lekkere taart is een instant hit.

De echte ontdekking in deze bundel is Kornej Tsjoekovksi, bij Russische kinderen bekend van Dokter-au-doet-pijn. Deze in 1962 overleden dichter weet ook nu en hier een brede glimlach op het gezicht van de lezer te toveren. In Telefoon reageert de verteller op allerlei dieren die hem bellen met zotte verzoeken. Wassemhard gaat over iemand die zo vies is dat ‘het laken/ is gaan staken’ en in het geweldige gedicht Warboel stelt de haas na allerlei verwarring onder de dieren dat ‘giraffen niet horen te blaffen’ en een ‘kip geen raket’ is.

Vertaler Robbert-Jan Henkes verdient een enorm compliment. De gedichten rijmen en buitelen alsof ze oorspronkelijk in het Nederlands zijn geschreven. Hij durft het aan om hier en daar vrij te vertalen en woorden als ‘drop’ en ‘driewegstekker’ te gebruiken. Dat een aantal gedichten desondanks niet echt meer in deze tijd pasg en dus vooral uit historisch oogpunt interessant is, is niet zijn schuld.

Alleen de expres smoezelige vormgeving is een misser. Het boekje ziet eruit alsof het beschimmeld is en dat kan toch niet de bedoeling zijn. Volgens het naschrift laten de illustraties ‘gehaaid motieven uit de oorspronkelijke Sovjetuitgaven terugkeren’. Dat zal, maar Nederlandse lezertjes zijn beter gewend tegenwoordig.

Meer over