Achter het boekDolf Verroen

Kinderboekenschrijver Dolf Verroen (91): ‘Duizend schrijvers kunnen beter schrijven dan ik, maar niemand schrijft zoals ik’

Hoe schrijft de schrijver? Oké, er worden geen kinderen meer opgebakken in zijn boeken, maar de zinnen van Dolf Verroen, 91 jaar en genomineerd voor de Gouden Griffel, zijn nog steeds hetzelfde: eenvoudig en zonder flauwekul.

Dolf Verroen: ‘Mijn boeken, hoe absurd ook, liggen altijd dicht bij de werkelijkheid. Ik heb weinig fantasie.’Beeld Erik Smits

Dolf Verroen is 91 jaar en toch lukt het niet hem hoogbejaard te noemen. Hij ís het gewoon niet. Voor een telefonisch interview van tweeënhalf uur draait de oudste kinderboekenschrijver van Nederland zijn hand niet om. Meer dan honderd boeken schreef hij, met succes; hij leeft er al zo’n jaar of zestig van. Toch is hij lang niet zo bekend als leeftijdgenoten Paul Biegel en Thea Beckman.

Zijn korte verhalen en novellen, vaak geëmancipeerd en taboedoorbrekend, waren opmerkelijk, maar bleken niet goed bestand tegen de tijd. Met zijn debuut Sjoe en Piet (1960) was hij de eerste die over gastarbeiders schreef in een kinderboek. Het prentenboek De vis en de jongen (1979) is typerend voor zijn oeuvre: een vis vangt een jongen met een zakje friet aan zijn hengel en op de bodem van de sloot wordt de jongen uitgekleed, gebakken en opgegeten. Een van de vissenkinderen vraagt of hij het piemeltje mag, omdat hij dat het lekkerste vindt. ‘Dat is een van mijn favorieten en ik krijg er nog steeds vragen over. Maar de uitgever vindt het een akelig boek en wil het niet herdrukken. Net als Karel en de kindermoordenaar.’

De afgelopen jaren is Verroen anders gaan schrijven. In zijn nieuwste boek Niemand ziet het (Leopold, 2019) staat niets absurds en wordt nergens de draak mee gestoken. Het speelt kort na de Tweede Wereldoorlog en gaat over de 13-jarige Victor, die al lang weet dat hij homo is, maar er met niemand over durft te praten. Het boek is vorige week genomineerd voor de Gouden Griffel, de prijs waarvoor Verroen vijf keer eerder werd genomineerd, maar die hij nog nooit won. Tot zijn eigen verbazing  en schaamte – vindt de schrijver recensies en jury’s toch weer spannend en lukt het hem deze weken absoluut niet om te werken. ‘Ik dacht dat ik daar nu wel vanaf was, maar nee. Belachelijk, maar ik loop me toch weer druk te maken.’

Hoe is het om de oudste kinderboekenschrijver genoemd te worden?

‘Het is gek, maar ik voel me gewoon niet zo. Ik let zelf nooit op hoe oud mensen zijn. Ik heb veel voor jongeren over en ik sluit ook vriendschappen met mensen die veel jonger zijn dan ik. Ik ben altijd een beetje leeftijdloos geweest.’

Doet u daar iets voor?

‘Nee, ik hou niet van sporten. Ik ben ook geen wandelaar, ik moet een doel hebben. Een brief in de bus stoppen. Iemand opzoeken. Dat kan nu veel minder, dus ik heb wel zwabberbenen van het stilzitten. Maar verder lijk ik onverwoestbaar. En van schrijven word je niet moe, hè? Ik heb vroeger veel te veel gerookt en gedronken en dat andere, maar dat schijnt gezond te zijn. Kennelijk ben ik op tijd met ongezonde dingen gestopt. Voor corona ben ik ook niet bang. Ik vind het wel moeilijk, want ik raak mensen graag aan. Als de bel gaat en ik loop naar de voordeur, roept mijn man: ‘Dolf, afblijven!’ Dan weet ik het weer.’

Beeld Erik Smits

Heeft u nooit gedacht: het is mooi geweest, ik houd ermee op?

‘Het leek er tien jaar geleden inderdaad op dat het klaar was. Ik voelde geen spanning meer en schreef een tijd niet. Iedereen dacht: die Dolf is de 80 voorbij, de pot zal wel dicht zijn. Toen kreeg ik, vijf jaar geleden, totaal onverwacht de opdracht om het Kinderboekenweekgeschenk te schrijven. Om de haverklap mijn uitgever aan de lijn. Of ik al iets had. Ze had net zo goed kunnen vragen of ze mijn huis in brand mocht steken. Er hing zo veel van af. En weet je, heel raar, ineens was het er: Oorlog en vriendschap. Met autobiografische elementen. Realistisch. Totaal niet wat ze van me gewend waren.’

Niemand ziet het lijkt bijna een vervolg op dat boek. Was u er nog niet over uitgepraat?

‘Van de ene herinnering kwam de andere. Ik weet het niet, maar zo moet het zijn gegaan. Ik heb tussendoor ook nog andere dingen geschreven.’

In hoeverre is Niemand ziet het autobiografisch?

‘Ik denk dat al mijn verhalen en boeken, hoe absurd soms ook, dicht bij de werkelijkheid liggen. Ik heb weinig fantasie. Een detectiveschrijver laat iemand de deur uitgaan, een dubbeltje vinden en dan volgt er een heel verhaal. Dat kan ik niet. Wat ik goed kan, is me inbeelden hoe iemand zich voelt. Pubers tegenover hun ouders. Moeders tegenover hun pubers. Ik kan ernaast zitten, maar dat is mijn stiel.’

Maar zijn de hoofdpersoon Victor en u dezelfde?

Niemand ziet het speelt twee jaar na de oorlog. Victor is 13, zelf was ik in die tijd 19. Ik zat godzijdank niet meer op school. Ik had een heerlijk leven, schreef stukjes voor de Delftsche Courant. Toch zijn de meeste dingen in het boek wel op de een of andere manier gebeurd. De belangrijkste verandering is dat Victor tijdens een ruzie tegen zijn ouders zegt dat hij op jongens valt. Dat heb ik nooit gedaan. Seks bestond niet in die tijd. Later heb ik de kans niet meer gekregen. Mijn moeder is gestorven toen ik 20 was. Met mijn vader had ik daarna niet veel contact meer. Toch denk ik dat ze het hebben geweten.’

Wat was de eerste zin die u opschreef?

‘De eerste zin die ik opschreef is ook de eerste zin die gedrukt is: ‘Natuurlijk wist ik dat ik homo was, maar ik durfde er met niemand over te praten.’ Of je nu lang of kort met een idee rondloopt, de eerste zin bepaalt alles. Daarna gaat het of goed of slecht. Meestal voel ik het komen. Dan denk ik een paar dagen van tevoren: ik moet gaan zitten. Als ik dat eindelijk doe, dan komt die eerste zin.’

Beeld Erik Smits

Hoelang heeft u over het boek gedaan?

‘Ik denk langzaam, maar ik schrijf vlug. Ik kan dagenlang rommelen en uit het raam staren, maar als ik eenmaal bezig ben, ga ik aan één stuk door tot het klaar is. In dit geval heb ik er drie maanden over gedaan. Met een kleine onderbreking, ik weet ook niet waarom. Daarna moet ik er natuurlijk nog met de rode pen doorheen.’

Hoe schrijft u en waar?

‘Vroeger schreef ik alles met de hand, tegenwoordig alleen in het begin. Als ik behoefte heb om het te zien, ga ik het op de computer zetten. Ik heb een grote werkkamer, een verbouwde garage in het bijkantoor van een bank uit 1981, in een klein Fries dorp, met al mijn boeken erin. Op een donker plekje heb ik een computer staan. Aan de voorkant is een blinde muur met dakramen, wat rust en prettig licht geeft. Iedereen die er binnenkomt, wil er wonen.’

Hoe zou u uw stijl omschrijven?

‘Opgegroeid in een fanatiek links gezin, heb ik geleerd dat je je niet beter moet voordoen dan je bent. Dikke boeken die eigenlijk over mezelf gaan, maak ik niet. Ik ben goed in het kleine. De inhoud van mijn boeken is misschien veranderd, maar mijn zinnen zijn nog steeds hetzelfde: eenvoudig en zonder flauwekul. Ik haat kunstmatige stijlen. Ik verzin nooit iets in die zin dat ik iets zit te verzinnen. De beste raad in mijn schrijversleven kreeg ik van de Franse schrijver en criticus Paul Léautaud. Die is razend kritisch op aanstellerij. Zijn honden verscheuren menig besproken boek. Van dat soort proza kan ik erg genieten.’

Heeft u het schrijven weleens opgegeven omdat u dacht dat het niet goed werd?

‘Nee, nooit. Duizend schrijvers kunnen beter schrijven dan ik, maar niemand schrijft zoals ik. Ik heb weleens iemand horen zeggen: je kunt net zo goed stoppen, er zijn al zo veel goede boeken. Er is altijd iets dat beter is. Dat heb ik niet. Dat vind ik raar.’

Waarom kinderboeken?

‘Dat vraag ik me ook al mijn hele leven af. Voor volwassenen schrijf ik vanuit een leegte. Ik moet alles bedenken. Voor kinderen ontstaat het, gaat het als het ware vanzelf. Al mijn verhalen, de gebeurtenissen, zijn gebouwd om een gevoel. Vaak angst en verlegenheid. Maar waarom? Geen idee. Misschien heb ik door de oorlog en die rare ouders van mij een bizarre jeugd gehad en ben ik blijven stilstaan bij deze onuitputtelijke bron. Ik heb hoe dan ook grote moeite me te verplaatsen in een zelfstandige volwassene. Mijn volwassenen hebben altijd te maken met kinderen.’

Dolf Verroen: ‘Duizend schrijvers kunnen beter schrijven dan ik, maar niemand schrijft zoals ik.’Beeld Erik Smits

U heeft het vaak over uw ouders en uw opvoeding. Waar bent u uw ouders dankbaar voor?

‘Ik had een jeugd die totaal niet burgerlijk was. Bij andere mensen moest je drie keer de voeten vegen, mijn ouders maakten openlijk ruzie over politiek, de politionele acties, socialisme en communisme. Ze kregen laat kinderen, hadden het niet meer verwacht. Misschien wisten ze niet zo goed wat ze met ons aanmoesten. Ik mocht alles lezen, mijn moeder stuurde een briefje aan de bibliothecaresse die het daar niet mee eens was. Toen ik zei dat ik schrijver wilde worden, nam mijn moeder me mee naar de spiegel en zei: ‘Kijk nou toch, je ziet daar toch een heel gewone jongen?’ Ze zei het niet op een vernietigende manier. Vrienden van haar hadden een zoon die voor elk bezoek Chopin en Beethoven moest spelen. Natuurlijk is er van die jongen na het conservatorium niets terechtgekomen. Dat zal die van mij niet gebeuren, dacht mijn moeder.’

Dat taboedoorbrekende, is dat het linkse van uw moeder?

‘Weet ik niet. Over taboes schrijven is niet hetzelfde als ze doorbreken of er iets van vinden. Ik heb net als mijn moeder over alles een oordeel. Maar ik vind me inleven in een ander interessanter dan een mening. Misschien komt het doordat ik me altijd een buitenstaander heb gevoeld. Ik las. Ik voetbalde niet. Ik wist al jong dat ik niet warm werd van meisjes. Misschien kan ik me daarom goed verplaatsen in andere buitenstaanders.’

Dit schilderij heeft Verroen cadeau gekregen van vriendin Caecilia Andriessen. Beeld Erik Smits

Onlangs verweet een jonge lezer u dat u in een boek over slavernij uw mening niet duidelijk geeft.

‘Begrijp me goed: ik ben de eerste om iets af te keuren en kwaad op iemand te worden. Maar als ik schrijf, wil ik dingen begrijpen. Ik ben bang dat mijn boeken anders snel afglijden naar sentimentaliteit. In mijn boek over de slaventijd, Hoe mooi wit ik ben, krijgt de dochter van een plantage-eigenaar, Maria, een slaaf. Het staat er zoals ik denk dat dat toen ging, zonder kritiek. Ik ben gewaarschuwd door een collega die het manuscript las: als ik het zo zou laten, zou ik daar problemen mee krijgen, maar als ik het zou veranderen, zou ik meteen ook het boek verpesten. Zo is het precies. Zou het kunnen zijn dat mensen het verschil niet kunnen zien tussen een pamflet en een verhaal? Dat is wel treurig, want op die manier heeft literatuur schrijven weinig zin. Ondertussen voel ik me ook schuldig, niet als schrijver maar wel als mens. Ik wil natuurlijk niemand kwetsen. Misschien is het ook laf om geen standpunt in te nemen.’

Wanneer begint u aan uw volgende boek?

‘Dat ligt al klaar: kleine verhalen voor pubers. Het verschijnt in november. Verder ben ik met mijn memoires bezig, maar via een omweg. Ik schrijf over de schrijvers die ik heb gekend, zoals Anna Blaman. Ik wil graag mijn levensverhaal vertellen, maar ik vind het moeilijk. Daarom schrijf ik over mezelf via een omweg, via anderen.’

Beeld Erik Smits

Is het ooit klaar?

‘Dat gebeurt natuurlijk vanzelf een keer, maar verder kan ik geen zinnig antwoord geven op die vraag. Ik voel me nog altijd dezelfde. We hadden het laatst met vrienden over wat we gaan doen als we nog tien jaar leven. Een doodnormaal gesprek. Later dacht ik: over tien jaar ben ik 101. Ik denk al mijn hele leven dat ik jong dood zal gaan. Ineens ben je 90. En nog steeds voel ik me alsof ik het hele leven voor me heb.’

Wie is Dolf Verroen?

Rudolf Johan Verroen (1928) groeit op in Delft. Na de oorlog reist hij naar Parijs om de existentialisten van dichtbij te bekijken. Hij studeert Frans en heeft diverse baantjes, onder meer als redacteur en als ambtenaar bij de Belastingdienst. ’s Nachts schrijft hij gedichten en novellen. Als daar een kinderboek tussen blijkt te zitten, vindt hij zijn roeping. Zijn hoogtijdagen zijn in de jaren zestig, als hij naam maakt met progressieve kinderboeken. Zijn werk heeft veel succes in Duitsland, waar hij belangrijke literaire prijzen wint. In Nederland krijgt hij vijf Zilveren Griffels. Verroen woont samen met zijn man Gerard Hemmes in het Friese Sint Nicolaasga.

Meer over