Kijken hoe de NAVO luncht

Op uitnodiging van het Nederlandse ministerie van Defensie bezoeken Oost-Europese officieren de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog in Noord-Frankrijk en West-Vlaanderen....

LUITENANT Garbel Mikk kijkt verlegen. Op de Brusselse rondweg trakteert een touringcar vol militairen haar op een wat ruw, maar welgemeend Happy birthday, terwijl de tengere Estlandse in het gangpad de felicitaties voor haar 25ste verjaardag in ontvangst neemt. 'Ze lijkt misschien klein', grapt kapitein-ter-zee Badea van de Roemeense marine, 'maar vergis je niet. Als ik een lijfwacht nodig heb, weet ik wie ik vraag.'

Mikk draagt het uniform van de laagste officiersrang. In het flink met tressen en insignes behangen gezelschap oogt haar tenue wellicht wat kaal, maar veel uitmaken doet het niet. De 21 Oost-Europese officieren zitten van hoog tot laag in hetzelfde schuitje: ze zijn weer terug in de schoolbanken.

Op uitnodiging van het Nederlandse ministerie van Defensie volgen militairen uit negen Oost-Europese landen een International Staff Officer Orientation Course in Rijswijk. In het kader van die cursus zijn ze nu op weg voor een kort bezoek aan het NAVO-hoofdkwartier in Brussel, om vervolgens af te koersen op het hoofddoel: de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog in Noord-Frankrijk (Somme) en West-Vlaanderen (IJzer). Niet om daar de fijne kneepjes van de loopgravenoorlog nog eens door te nemen, maar om doordrongen te raken van de ellende van La Grande Guerre.

'De verschrikking van de oorlog, dat is het issue van deze tocht', beaamt reisleider Simon Ririhena, coördinator van het ministeriële Instituut Defensie Leergangen (IDL). 'Je kunt wel lezen dat het Britse leger bij de Somme op één dag 50 duizend jonge mannen verloor,een Feyenoordstadion vol, maar pas als je midden in dat landschap staat, de soms heel kleine oppervlakte waar in korte tijd duizenden doden vielen, voel je echt wat dat betekent.'

De driedaagse reis maakt deel uit van een internationaal Defensie-project dat halverwege de jaren negentig begon als een uitvloeisel van Partnership for Peace, het programma waarmee de NAVO de banden met potentiële nieuwe leden in Midden- en Oost-Europa wil verstevigen. De cursisten blijven hier zo'n drie maanden. Ze krijgen kost en inwoning, volgen lessen Engelse spreekvaardigheid en worden wegwijs gemaakt in het Noord-Atlantische militaire denken, waarin spierballenjargon heeft plaatsgemaakt voor termen als samenwerking, peace keeping en preventie. Uit dat nieuwe NAVO-profiel valt het haast pacifistische oogmerk van het bezoek aan de slagvelden te verklaren.

Ririhena, een voormalig predikant van Molukse afkomst, is trots op zijn cursus: 'We leren ze wat budgetbewaking is, hoe democratische controle functioneert - allemaal zaken waarmee ze niet vertrouwd zijn. In Nederland is ons werk niet erg bekend, we zeggen weleens dat we in stilte mooie dingen doen. Maar in het buitenland hebben we een uitstekende naam. Dit is hét topproduct van Defensie.'

Het ministerie trekt jaarlijks 1 miljoen gulden uit voor de opleiding, die inmiddels door ruim 500 Oost-Europese officieren is gevolgd. Voor Ririhena is het einde bij het IDL overigens in zicht. Nu het gezien zijn leeftijd nog kan, vindt hij het raadzaam eens wat nieuws te beginnen. In januari stapt hij over naar een baan in de burgermaatschappij. Zijn opvolger, de jonge historicus en luitenant-ter-zee Riccardo Scalas, vergezelt hem op deze reis en kan zodoende vast ervaring opdoen.

Daarmee raakt de bus aardig vol, want ook Hans van Mierlo, voormalig minister van Defensie, wilde de cursus weleens van dichtbij meemaken. Alleen al het bezoek aan het Brusselse NAVO-hoofdgebouw, compleet met lunchbuffet en bezoek van NAVO-ambassadeur Biegman, overtuigt Van Mierlo van het nut van de onderneming: 'Dit is dé manier om het te doen. Oost-Europese officieren laten zien hoe-de-NAVO-luncht - zo simpel is het. Laten zien dat zo'n ambassadeur een gewoon mens is. Al die officieren komen uit een gezagscultuur, een totaal kapot systeem. Hou maar op met dat defensiegeld. Stop het híerin, in mensen. Via mensen moet je het veranderen.'

In de bus valt goed te merken dat het klasje al een tijd met elkaar optrekt. Iedereen heeft z'n vaste plaats. Voorin roeren zich de zelfverzekerde Roemenen en Slowaken, dan komen de kleinere delegaties van Bulgarije en Macedonië, de zwijgzame Albanezen zitten halverwege, samen met de Baltische staten, en op de achterbank bivakkeert de tweehoofdige vertegenwoordiging van Oekraïne.

Ririhena beent regelmatig heen en weer, knoopt links en rechts praatjes aan, organiseert de samenzang voor de jarige Garbel ('en dan nu het national anthem graag') en vraagt aandacht voor de inleidingen van de polemoloog Hylke Tromp, de Groningse hoogleraar die vrijwel elke IDL-excursie naar Somme en IJzer van deskundig commentaar voorziet en ook nu weer met de microfoon in de aanslag naast de chauffeur zit.

Tromp is al zeker twintig keer mee geweest, maar zijn enthousiasme wordt niet minder: 'Het was in het begin veel moeilijker. Toen kregen we nog de dinosaurussen van het oude bestel die slecht Engels spraken. We zijn nu vijf jaar verder en zien gelukkig ook jongere mensen, maar het probleem blijft dat ze uit zo'n hiërarchisch systeem komen. Ze zijn niet geneigd je tegen te spreken. Een vraag stellen vinden ze al gewaagd.'

Kapitein Stojan Slaveski uit Macedonië zit wat melancholiek uit het raam te staren. Zijn we werkelijk over de grens? Is dit Frankrijk al? 'Bij ons merk je dat beter. Dan sta je uren voor een slagboom.' Bij de vraag wat hij van de cursus vindt, veert hij op: 'Ik werk aan een dissertatie over veiligheidsvraagstukken in Zuidoost-Europa, voor mij komt de cursus goed uit. De bibliotheek van het IDL heeft stukken die ik in Macedonië nooit te pakken had gekregen.' Slaveski verbaast zich wel over de openheid van de Nederlandse pers. 'Ik was geschokt dat er zulke felle stukken tegen de NAVO gepubliceerd konden worden.'

Als Slaveski uit zijn tas een folder opdiept ('Macedonia, Cradle of Culture') en zich vervolgens hardop afvraagt wat voor 'n land België eigenlijk is, draait de Roemeense kolonel Grigore-Marcel Pop zich om in zijn stoel. Op een toon die geen tegenspraak duldt, legt hij uit hoe het zit: 'Belgium is an artificial country. Simple.'

Kapitein Slaveski dankt beleefd voor de uitleg. 'Ik kende tevoren niemand van de deelnemers, maar het gaat goed samen. Vroeger was er misschien wrijving tussen het ene land en het andere, maar daar merk je niets van. Ik heb uitgebreide gesprekken met mijn Bulgaarse collega. Dit is een nieuwe tijd.'

Aan de andere kant van het gangpad hoort Riccardo Scalas het met instemming aan: 'Dit zijn de officieren die later op de posten komen waar beslissingen genomen worden. Bulgarije praat met Macedonië - zo kunnen nieuwe netwerken ontstaan.'

DE EERSTE STOP in Frankrijk is de kleine, idyllische begraafplaats van Binche, waar de allereerste doden uit de Eerste Wereldoorlog liggen: gevallen bij de slag om Mons, 23 augustus 1914. Terwijl de zon in zachte nevels begint onder te gaan, legt Tromp uit dat de oorlog in de beginfase nog ridderlijke trekken had.

In Binche richtten Duitse troepen zelfs een gedenkzuil op voor hun gesneuvelde Britse collega's, die zo dapper hadden gevochten. 'Maar door de technologische vooruitgang veranderde het vechten gaandeweg in moorden. En het moorden mondde uit in mass termination. Dat is het verhaal van deze eeuw.' Midden in Tromps relaas klinken plotseling harde knallen: jagers die iets verderop in een bos op fazanten schieten. De officieren kunnen de coïncidentie wel waarderen. 'Infantrymen, pay attention!', roept kolonel Pop vrolijk.

De volgende dag, als een snijdende wind opsteekt en de touringcar bij steeds troostelozer monumenten in het Noord-Franse landschap halt houdt, is van vrolijkheid in het gezelschap weinig meer te bespeuren. De litanie van onafzienbare begraafplaatsen, steeds weer nieuwe monumenten, met steeds dezelfde grafschriften ('A Soldier of the Great War, Known Unto God') en verhalen over onbegrijpelijke slachtpartijen, heeft een dofmakend, verkillend effect. De officieren dragen vandaag hun burgerkloffie; een ratjetoe waar weinig martiaals van uitgaat.

Een monument van haast monsterlijke proporties is het Memorial to the Missing bij het dorpje Thiepval. Op een gigantische ereboog, een Carel Willink-achtig visioen dat hoog uittorent boven de modderige suikerbietenvelden, staan de namen van 73.000 vermiste Britse soldaten die vielen in de slag om de Somme. Zo hevig was het granaatvuur hier, dat de tienduizenden lichamen in onherkenbare stukken zijn uiteengereten. Aan de vooravond van de 81ste herdenking van de wapenstilstand (11 november 1918) zijn de trappen van het monument bedekt met plastic klaprozen en in cellofaan verpakte briefjes: 'Private 14560, Walter Boardman, in loving memory, his only living sister.'

Een paar honderd meter van het monument vandaan staat Andrly Pavlenko in z'n eentje uit te kijken over het herfstlandschap. De roodharige Oekraïense majoor stond in de eerste cursusweken op de nominatie teruggestuurd te worden, om zijn slechte Engels. Maar door zijn inzet heeft hij het toch gered. Hij huivert in zijn dunne pak. 'Mooi is het hier. Heel mooi. Zulke heuvels hebben we ook in Oekraïne.' Hij schopt tegen een granaat, formaat magnum-fles, die hier kennelijk al 80 jaar in de berm ligt te roesten. Na een korte poging het ding op te tillen, geeft hij het hoofdschuddend op: 'Te zwaar.'

Meer over