Kertész: zonder verwachtingen en toch nieuwsgierig

Hij heeft tien, vijftien boeken op zijn naam staan, Imre Kertész, en dat zou de indruk kunnen wekken dat er sprake is van een breed en omvangrijk literair oeuvre, dat nu door het Nobelprijscomité is bekroond....

Van onze medewerker Michaël Zeeman

Hij ging de diepte in, niet de breedte, hij zocht de concentratie, niet de gevarieerdheid. Daarom is die bekroning ook bij uitstek een literaire bekroning, een erkenning en honorering van het ambacht van de schrijver. Het gaat om het 'hoe' en niet per se om het 'wat'.

Hachelijk genoeg, die constatering. Want het 'wat' is aanleiding, drijfveer en hartstlag van dat oeuvre - en het is diabolisch groot. Het laat zich samenvatten in één woord: Auschwitz. Daar belandde hij als veertienjarige joodse jongen uit Boedapest, daar is hij de rest van zijn leven over blijven schrijven. Boek na boek.

Maar dat is vaker vertoond: de Westerse literatuur van de afgelopen halve eeuw zou er zonder Auschwitz volslagen anders uit hebben gezien. Het staat zelfs te bezien of tientallen vooraanstaande auteurs zonder Auschwitz ooit schrijver geworden zouden zijn. Zijn thematiek maakt Kertész niet bijzonder. Dat doet zijn stijl, dat wonderlijke mengsel van naïveteit en illusieloosheid, van ontvankelijkheid en zwaarmoedigheid. Het is de stijl van iemand die geen verwachtingen koestert en toch nieuwsgierig is.

Hij is een kleine, iets voorover gebogen lopende man. Draagt vaak zo'n gewatteerd en geruit jasje, overeenkomstig de eisen van degelijkheid en doelmatigheid van de jaren vijftig, en een gênant ouderwetse pet. Iemand die ongevoelig is voor het oordeel van anderen en er vanuit gaat dat het buiten nog een stuk guurder zal zijn dan hij al gedacht had. Dat was trouwens ook iedere keer zo.

Die verwachting is gebaseerd op ervaring en die ervaring bestaat uit doordachte belevenissen: hij is geen geboren cynicus, maar zijn illusies zijn hem ontnomen. Nergens heeft hij indringender beschreven hoe dat zo gekomen is dan in de roman Onbepaald door het lot. Dat is de roman die zijn retourtocht Boedapest-Auschwitz uit de doeken doet, ontnuchterend nuchter beschreven. Al vrij vroeg in het boek - Hongarije net bezet door de Wehrmacht - wordt de hoofdfiguur opgepakt en op transport gesteld. Het hoofdstuk dat dat verhaal vertelt, begint met de zin 'De dag daarop overkwam mij iets vreemds'.

En dat, op zijn beurt, moet zonder concurrentie de vreemdste zin zijn die ooit over arrestatie en deportatie geschreven is. De toon van onbevangenheid, die eruit opklinkt, blijft hem gedurende de hele reis derwaarts vergezellen. Met zinnen als: 'In de trein werd mijn grootste ongemak veroorzaakt door gebrek aan water. Levensmiddelen hadden we genoeg, maar er was absoluut niets wat we bij het eten konden drinken en dat was heel onaangenaam.' Dergelijke zinnen zijn bij Kertész niet laconiek of geforceerd licht geschreven om de zwaarte van het onderwerp beter te doen uitkomen, nee, ze zíjn eenvoudig zo.

Dat komt doordat er een wereld van verschil gaapt tussen de schrijver als verteller en de lezer: de verteller weet niet wat hem overkomt, de lezer weet dat maar al te goed. Bij iedere volgende halte op de route houd je je hart vast. Bij aankomst spelt de jongeman de naam van het station, geschreven in dat ouderwetse Duitse fractuurschrift, moeizaam uit. Wat voor hem een nieuwe, onbekende plaatsnaam is, staat in ons aller hoofden geëtst. Het moet voor de schrijver een duivels karwei geweest zijn zich als het ware terug te schrijven naar die eerdere tijd, de tijd van de onschuld.

In Kaddisj voor een niet geboren kind spreekt de verteller het kind toe dat hij nooit verwekt heeft. In hem, in zijn leven eindigt een geschiedenis, omdat zijn verblijf in het kamp zowel zijn leven als de geschiedenis op voorhand al beëindigd heeft. De literaire concentratie wordt er door hem verantwoord: 'Het schrijven is voor mij in wezen niets anders dan het onophoudelijk delven van het graf waaraan anderen, die boven de wolken wonen, mee graven.'

Toch beperkt Kertész' thematiek zich niet tot zijn belevenissen in Auschwitz alleen: ook de ontvangst na terugkeer in Boedapest maakt daar een fundamenteel deel van uit. In de grote roman Fiasco laat hij zien hoe een schrijver vast komt te zitten in zijn boek, niet alleen door de zwaarte van zijn onderwerp, maar vooral ook door de respons van zijn omgeving op zijn inspanningen. In het verhalend-essayisische Ik, de ander trekt hij de lijnen door vanuit de communistische tijd in Hongarije naar de post-communistische. De onverschilligheid ten tijde van zijn arrestatie ziet hij niet als een uniek exces, maar als deel van een patroon.

Dat patroon heeft hij tot zijn onderwerp gemaakt en van alle kanten tegen het licht gehouden, boek na boek, keer op keer. 'Arbeit macht frei', stond er boven de toegangspoort van Auschwitz. Levenslange literaire arbeid heeft Kertész nergens van bevrijd.

Michaël Zeeman

Meer over