Kavakos combineert ingetogenheid met temperament

Violist Leonidas Kavakos rekent zijn negentiende-eeuwse collega Joseph Joachim tot zijn grootste helden, en met reden. Het was Joachim voor wie Brahms zijn Vioolconcert componeerde, en het was opnieuw Joachim die het werk door dik en dun verdedigde, in weerwil van de bedenkingen die de componist er zelf over had....

Het alom geliefde stuk heeft intussen geen verdediging meer nodig, maar de manier waarop Kavakos zich donderdag bij het Koninklijk Concertgebouworkest inzette voor Brahms – én voor Joachim, die de cadens schreef – was desondanks overrompelend. Zonder enige neiging tot epateren hulde hij Brahms in een gloed die zowel deed denken aan de harde glans van een staaldraad, als aan de zwaartekrachtloze vlucht van een door strijklicht beschenen vogel.

De thermiek waarop zijn viooltonen voortzweefden werd geleverd door het KCO, dat onder de Amerikaanse dirigent Alan Gilbert nog transparanter en hechter klonk dan het gewoonlijk al doet.

De 41-jarige Kavakos paart ingetogenheid en verstilling aan temperament, en een ranke toon aan kracht en intensiteit. En Gilbert, eveneens van de jaargang 1967, brengt in zijn directie een even vanzelfsprekend verbond teweeg tussen een versmolten en een rijkgeschakeerde orkestklank. Met ingang van komend seizoen is hij benoemd tot chef-dirigent van het New York Philharmonic Orchestra.

Bij het Concertgebouworkest treedt hij sinds 2003 met regelmaat op als gastdirigent.

Al in de Rosamunde-ouverture van Schubert wist hij paukexplosies te verzoenen met lyrische blazerslijnen, en een Weense wals avant la lettre met pittige marsmuziek. Dat was nog maar een voorproefje van zijn samenwerking met Kavakos in Brahms, die een zo hardnekkige geestdrift teweegbracht dat er een Caprice van Paganini voor nodig was om het publiek het zwijgen op te leggen.

Even lucide was Gilberts interpretatie van Schumanns Derde Symfonie, waarin hij zowel de vooruitstrevende als de retrospectieve aspecten het volle pond gaf.

In het eerste deel draait het om de ritmische ambiguïteit die bij alle vreugdevolle thematiek toch zorgt voor een getroebleerde ondertoon. Op de idylles die zich in de twee daaropvolgende delen ontvouwen, volgt een magnifiek, bijna archaïsch ricercare in mineur, waarop het slotdeel uitbot in montere dansjes, waarin echter ordeverstoringen zijn ingebakken. Gilbert, kwiek en alert, handhaafde een perfecte controle, juist door de musici waar mogelijk de vrije hand te laten en ze waar dat nodig was altijd een fractie van een seconde voor te zijn.

Meer over