Karnemelk en zure zult op Manhattan

Erwin Maas, vijf jaar weg uit Nederland, moet als beginnend regisseur in New York alles zelf regelen. ‘In de Nederlandse theaterwereld heeft men geen idee hoe ruig het hier toegaat.’..

In de achtergrond horen we Johnny Hoes met fanfare-orkest: ‘Honderd jaar na deze, zal hij er niet meer wezen.’ Absurd, maar onverbeterlijk vrolijk klinkt het feestlied, in het kleine, vlakke vloertheater off off Broadway aan 11th Avenue in New York.

Zaterdagavond ging in het Sanford Meisner Theater The Northern Quarter in première, Het Noorderkwartier van Alex van Warmerdam. Ook het Amerikaanse publiek kan het in de scène met het feestlied niet ontgaan dat iemand jarig is. Faas, de hoofdpersoon, wordt vandaag 43. Zijn vader en moeder onthalen hun geketende kind op vlaggetjes en feesthoedjes en suikertaart.

De Hollandse wereld van karnemelk en zure zult, vertoond op Manhattan – begrijpen Amerikanen wat hun overkomt? Er wordt in elk geval op de juiste momenten, als de scènes ironische of hilarische wendingen nemen, spontaan gelachen.

Het geldt zelfs als de Hollandse knusheid prominent wordt opgevoerd. Het stuk gaat over Faas, enige zoon van Koos en Martha die hun zoon gevangen houden binnen de muren van het ouderlijke huis. Faas verlangt naar de wijde wereld, zijn ouders hebben die fase lang achter zich. ‘We are content’, zegt de moeder bestraffend tot Faas. ‘Let’s be content we are content.’ De zaal beloont de uiting van Hollandse burgerlijkheid met gegrinnik.

Het verjaardagslied van Johnny Hoes verraadt ook de volledig Brabantse achtergrond van de jonge en ondernemende regisseur Erwin Maas. Hij is vijf jaar weg uit Nederland, maakte in 1989 in Eindhoven de toneelschool af, deed de prestigieuze driejarige regie-opleiding aan Columbia University in New York en volgde nog een jaar filmregie in Sydney.

Hij verklaart zich een grote fan van Alex van Warmerdam; de filmische enscenering van zijn voorstelling getuigt ervan. Hij vindt het uitdagend te proberen Nederlandse toneelschrijvers in het buitenland te brengen. ‘Er is veel goed Nederlands werk. Het meeste is onvertaald en onbekend. Ik vind het een hele eer zo’n prachtige schrijver als Van Warmerdam hier onder de aandacht te brengen.’

Vanzelf ging het niet. Erwin Maas, bijna dertig, heeft een fascinerend verhaal over het theaterleven van New York als jungle. ‘In de Nederlandse theaterwereld, heb ik gemerkt, heeft men geen idee hoe ruig het hier toegaat.’

Maas: ‘Ik had nooit gedacht dat ik op Columbia zou worden aangenomen. Duizend aanmeldingen, 25 mensen op auditie, zes geselecteerden. Waarom zou ik daarbij zijn?’

In 2001 had hij toelatingen op zak voor de regieopleiding aan Columbia in New York, de acteursopleiding aan The University of California in Los Angeles en een opleiding filmregie in Sydney. Hij kon kiezen, dat was de luxe kant. De armoedige kant was dat het schreeuwend dure opleidingen zijn – waar haalde hij het geld vandaan?

Columbia kost 36 duizend dollar per jaar. Alleen collegegeld. Hij is gaan schooieren. ‘Ik heb honderd bedrijven aangeschreven in Nederland. Ik heb miljonairs aangeschreven. Zo ben ik. Niks gekregen. Voor Northern Quarter heb ik hier de ING en de KLM benaderd. Ik heb geld gekregen van het Nederlandse consulaat – het gaat ook om de verbreiding van Nederlandse cultuur. Van Heineken heb ik zevenhonderd flesjes bier gekregen. Die reiken we tijdens de voorstellingen uit. Dat soort dingen.’

Hij is voor zijn opleidingen geholpen door de Fulbright Foundation, het Fonds voor de Podiumkunsten en vooral door de Joop van den Ende Foundation.

Van de klas van zes van zijn jaar, die in 2004 afstudeerden, zijn een Peruaanse regisseur en hij de enigen die producties maken in New York. Zeker als beginner moet je alles zelf doen. En zelf bekostigen.

Maas: ‘Je kiest zelf je stuk, je zoekt zelf een theater dat bereid is tegen een fancy prijs het stuk te brengen. Je betaalt de acteurs uit je eigen zak. Het zijn vergoedingen, geen echte salarissen. Een vol salaris bestaat bijna niet in het Amerikaanse theaterleven.

‘Je zoekt zelf je acteurs. Dat is wel te doen. Deze stad loopt over van de wannabees, iedereen probeert het te maken. De meeste hebben geen opleiding gehad, ze denken dat ze er knap uit zien en hopen op televisie te komen. Dat is wat alle acteurs, ook hier in New York, uiteindelijk willen: ze dromen allemaal van film en televisie.’

Erwin Maas werkt tien uur per dag als uitzendkracht bij de Citibank. Hij moet toch leven. Dan houdt hij nog tien uur over voor zijn regie- en productiewerk.

Na afloop van de voorstelling hangt Dave Guerira met een Heineken in de hand rond in de kleine foyer. Hij speelt de hoofdrol van Faas, de zoon, de dromer. Guerira vertelt dat hij vier jaar geleden naar New York kwam. Overdag werkt hij in een restaurant.

Volgende maand vertrekt hij naar het westen, naar Los Angeles. Hij heeft wat vrienden in de filmbusiness. ‘Theater is interessanter’, zegt hij, ‘maar in Amerika zit het geld in de film.’ Hij trekt enigszins mismoedig zijn schouders op, hij kan het ook niet helpen.

Meer over