Kameleontisch poseur

HET IS ALWEER meer dan tien jaar geleden dat Salman Rushdie tijdens een of andere literaire borrel gekscherend de woorden 'The Empire strikes back' liet vallen....

In de jaren zestig en zeventig was de in India, Trinidad en Engeland gewortelde V.S. Naipaul een betrekkelijke uitzondering geweest, maar in de jaren tachtig waren de 'writers with funny names' ineens alomtegenwoordig: van Kazuo Ishiguro tot Timothy Mo, van Ben Okri tot Caryl Philips en van Hanif Kureishi tot Vikram Seth.

Over de vraag hoe veelzeggend of zinnig deze constatering was en hoe zij diende te worden geïnterpreteerd, is de jaren daarna veel gediscussieerd in Britse literaire kringen. Mochten al die namen wel in één adem worden genoemd, of was dat onbedoeld een vorm van racisme ('Goh, wat grappig dat die zwartjes zo aardig kunnen schrijven')?

Auteurs die meerdere culturen in zich verenigden, konden op een bovengemiddelde belangstelling rekenen van uitgevers en recensenten.

Zo werd de cross-cultural novel, wat dat ook precies mocht wezen, een van de grote hypes van de jaren negentig. Twee jaar geleden tilde Zadie Smith de multiculti-gekte bekwaam de millenniumgrens over met haar - overigens uitstekende - roman White Teeth. En dat dit etiket nog altijd gezien wordt als een belangrijk marketingmechanisme, bleek uit het publicitaire geweld waarmee uitgeverij Hamish Hamilton (Penguin) dit voorjaar The Impressionist van Hari Kunzru presenteerde.

In de Britse pers is de pomp and circumstance waarmee de publicatie gepaard ging, bij herhaling met een molensteen vergeleken. Dat The Impressionist dit theater heeft overleefd, zegt dan ook iets over de kwaliteit en vitaliteit van het boek. Want jawel, De poseur, zoals het in het Nederlands heet, is een fascinerende roman.

De poseur is geschreven in de vertrouwde Engelse en Europese traditie van de picareske roman. Hoofdpersoon is een Indiaas-Engelse jongen die zijn leven begint als Pran Nath, maar in de jaren die volgen met grote regelmaat van naam en identiteit zal wisselen. Hij wordt verwekt in een grot in India, tijdens een woeste moessonregen, door een Engelse bosbouwkundige bij een door opium bedwelmde Indiase vrouw, op weg naar de man aan wie ze is uitgehuwelijkt. De bosbeheerder verdrinkt niet lang daarna en de Indiase vrouw trouwt met de advocaat die voor haar is uitgekozen. Als Pran Nath wordt geboren, denkt deze dat het zijn eigen zoon is, al heeft de jongen ook een opvallend blanke huid. 'Zo'n volmaakte Kashmiri!'

Zo groeit Pran op in weelde, tot een bediende die van het geheim op de hoogte is, zijn achtergrond verraadt, uit wraak voor het feit dat hij haar dochter wil onteren. Pran wordt het huis uitgegooid en belandt bij een groep hijra's (gecastreerde travestieten, India's 'derde sekse'). Onder de naam Rukhsana gaat hij deel uitmaken van de hofhouding van een plaatselijke nawab (gouverneur) en wordt hij op een pedofiele Britse officier afgestuurd, als onderdeel van een plot rond de opvolging van de gouverneur.

Eenmaal aan deze situatie ontsnapt, belandt hij in Bombay, waar hij wordt geadopteerd door een Schots missionarissenechtpaar. Zijn naam luidt nu Robert, maar in de nachtelijke uren, als hij werkzaam is in Bombays rosse buurt, heet hij Mooie Bobby. Op een dag ziet hij hoe tijdens een uitbarsting van antikoloniaal geweld een Engelse jongeman om het leven komt. Hij neemt diens naam over, Jonathan Bridgeman, alsook diens bezittingen, en reist af naar Engeland om daar als zogenaamde afstammeling van een Britse koloniale ambtenaar een public school te bezoeken en vervolgens aan de universiteit van Oxford te studeren.

Zoveel omstandigheden, zoveel persoonlijkheden, zoveel namen. Als een man zonder eigenschappen, een kameleon, als een variant op Woody Allens personage Zelig neemt hij feilloos de kleur van zijn omgeving aan. Dit maakt hem, ook voor de lezer, tot een ongrijpbare persoon met wie het lastig identificeren is.

In de 'Empire strikes back'-discussie is dikwijls het vraagstuk aan de orde gekomen of allochtone Britse auteurs nu 'ontworteld' waren, of juist wortelden in meerdere culturen. Kunzru's hoofdpersoon lijkt een nieuw aspect aan deze discussie toe te voegen, want zijn schepping wortelt nergens. Wat dat betreft is de droom die zijn vader, de bosbouwspecialist met de ironische naam Ronald Forrester, aan het begin van het boek heeft, symbolisch. Forrester droomt over 'regimenten deodars die met grote stappen door berg en dal marcheren als roodjassen van naaldhout' en 'banians met luchtwortels die zich uitstrekken als tentakels'.

Forrester jr., die alle namen draagt behalve die van zijn vader, is de vleesgeworden anonieme migrant, passant, figurant van het wereldgebeuren. Uiteindelijk zal hij zelfs als enige overlevende worden gered van een expeditie in Afrika. De slotzin van het boek: 'Morgen reist hij verder.'

Hoewel het thema gewichtig is, leest De poseur bijna vederlicht. Kunzru grossiert in anekdotes, in kleurrijke personages en scherpe observaties, zowel over het India van de Raj als het vreemde 'vaderland' Groot-Brittannië. 'Opgekruld in een leren fauteuil begrijpt Jonathan voor het eerst wat het woord ''knus'' betekent, de behoefte die hun klimaat in hen wekt om hun blauwgeaderde lichaam te stofferen met lagen paardenhaar en mahonie, aspidistra's en antimakassars, geschiedenis en traditie en om zekerheden met elkaar te delen. Brits zijn besluit hij, is hoofdzakelijk een kwestie van isolement.'

Pets, zegt het Empire.

Hari Kunzru: De poseur.
Vertaald uit het Engels door Ronald Jonkers.
Podium; 448 pagina's; ¿ 25,-.
ISBN 90 5759 304 1.

Meer over