JUDITH HERZBERG

Haar gedichten, schreef in 1963 Kees Fens, 'danken hun spanning aan hetgeen niet te zeggen is, maar dat achter elke regel aanwezig is'....

IN 1984 UIT de krant geknipt en dertien jaar bewaard. De dichteres Judith Herzberg, haar dankwoord, uitgesproken bij het in ontvangst nemen van de Vondelprijs, in het Duitse stadje Münster:

'In de oorlog moest ik een kaakoperatie ondergaan. Het was te gevaarlijk dat in een ziekenhuis te doen, maar er werd een betrouwbare tandarts gevonden, die zelf in het verzet actief was, en die me dus niet verraden zou. Ik weet zelfs niet hoe hij heette, maar ik herinner me dat hij zei dat het wél pijn zou doen, en dat hij niet de gebruikelijke geruststellende formules uitsprak die, vooral tegen kinderen, worden gehanteerd om ze kalm te maken. Hij zei dus dat het veel pijn zou doen, maar dat hij me precies zou uitleggen wat hij deed, en hij gaf me een handspiegel, waarmee ik kon volgen wat er gebeurde. Dat gaf me een gevoel van vertrouwen, het idee dat als ik maar precies wist waar ik aan toe was, ik er wel tegen zou kunnen. Later hoorde ik dat hij gefusilleerd was.'

Ik ben er niet bij geweest, bij die prijsuitreiking, maar waar ik benieuwd naar ben is de korte stilte die moet hebben geklonken, vlak voordat de spreekster aan die laatste zin begon. De millisecondes van Judith Herzberg.

Zeepost heet haar eerste bundel, uit 1963, en het woord zegt het al. Zeepost is post die met een schip wordt meegegeven, surface mail, en die er dus langer over doet. Het is een term die automatisch van alles cadeau geeft: afstand, vertraging, ontijdigheid, vervorming eventueel, alle essenties van hier, daar, toen en nu, en de manier waarop ze van elkaar zijn geïsoleerd. Een van de mooiste gedichten van dit debuut heeft ook de mooiste titel: 'Hardop voelen'. Het gaat zo:

Het leven wordt plotseling ontroe rend

als je denkt aan de posterijen,

niet de bezorgers langs de huizen,

maar aan de hele organisatie.

Aan de hagelwitte Zweedse broden

na de oorlog, aan de hond

die zijn baas aan zijn kraag

naar het dorp trok, aan

mevrouw E., die er niet

teleurgesteld uitziet.

En aan de Ile de France

die na dertig jaar varen

in Japan wordt gesloopt.

Het gedicht moet op de lezer van 1963 een andere indruk hebben gemaakt. Posterijen was een tamelijk gewoon woord, de oorlog was dichterbij, onder de snijbrander sneuvelden met grotere regelmaat beroemde schepen, en in het toenmalige literaire landschap zal een formule als 'de hele organisatie' baldadiger, lapidairder hebben geklonken. Zij wordt aan weerszijden begrensd door twee minuscule stilten, die het zakelijke verheffen tot het eigenzinnige. Ook verderop: in de opverende articulatie van Ile de France, gecombineerd met de wetenschap dat het schip zich bevindt aan de andere kant van de wereld. Daarin ruist een stilte die herinnert aan een niet-digitaal transatlantisch telefoongesprek.

Wie schreven er toen, in de tijd dat gedichten hier en daar nog verzen werden genoemd, over Judith Herzberg?

Met enige reserve en op 28 december 1963 signaleert in de Tijd/Maasbode Kees Fens een mengeling van nuchterheid en 'verdriet om de niet uit te spreken ontroering'. Hij schrijft:

'Ik geloof, dat ik daarmee aan de ''stilte'', het tekort ben dat de toon van Judith Herzbergs verzen bepaalt. Veel der verzen danken hun spanning aan hetgeen niet te zeggen is, maar dat achter elke regel aanwezig is. De nuchtere constatering is de maximale benadering van een intens verdrietige werkelijkheid, zo maximaal echter dat de nuchterheid voor de lezer er werkelijk een in schijn wordt.'

Een paar weken later, op 1 februari 1964, begint de poëziecriticus van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, A. Nuis, met een flauwe truc. Eerst legt hij uit dat je je als recensent elk seizoen door een brij van rommel moet werken, om vervolgens te memoreren dat daartussen altijd wel iets is te vinden dat de moeite waard blijkt. Nuis lijkt inschikkelijker dan Fens. Hem treft 'de preoccupatie met alles wat nog net niet gebeurd is, een soort lof van het moment van aarzeling'.

Het zal vijf jaar duren voordat Herzberg haar tweede bundel publiceert, Beemdgras, opnieuw bij Van Oorschot. Maar wat Nuis nog als aarzeling heeft gediagnosticeerd, laat zich intussen veel nauwkeuriger omschrijven: 'Het is de weemoed, eindeloos krengig, panische/ haat, die door oudbakken lagen zich een weg baant/ naar het vroeger, toen aan het hoopvoller ontbijt/ de broer dezelfde taal nog sprak als zij.'

Er is nog een derde, meer genereuze stem, die van de criticus K. L. Poll. In een beschouwing die in 1967 wordt opgenomen in de essaybundel De eigen vorm, vergelijkt hij de schuwheid van Vasalis, haar geforceerde ernst, met de zelfvervuldheid van Herzberg, en hij aarzelt niet haar een veel universelere kwaliteit toe te schrijven:

'Het lijkt op een anecdote over Tsjechov, geloof ik, die met zijn vrienden wedde dat hij over ieder willekeurig voorwerp of onderwerp een verhaal zou kunnen schrijven, en die het toen deed over een inktpot. Zo ook bij Judith Herzberg: iedere zin, ieder ding kan gebruikt, gevormd, geannexeerd worden door de voorradige gevoelens. Zij maakt zich geen zorgen dat haar ondervindingen de gevoelens van hun stuk kunnen brengen. Zij kent alleen wat zij herkent, en daarmee uit, de rest gaat langs haar heen.'

Poll is ook de eerste die een opmerking over Herzbergs pauzes maakt. 'Zij verzet zich', schrijft hij, 'tegen de definitieve stilte en zij doet dat op een listige manier: veel kleine stiltes wegen op tegen één grote. Zij bestrijdt de dood met stukjes van zijn eigen wapen.'

Hier moet een voorbehoud worden gemaakt. Stilte, leegte, het wit van de pagina, alle varianten op het vacueuze bleken in de Nederlandse poëzie van de jaren '70 een veelgevraagd artikel te zijn, een herkenbare norm. Het is alleen niet de norm die Herzberg heeft gevolgd. Het abstracte, hoe verleidelijk ook, is haar vreemd gebleven. Voor haar zijn de chrysanten in de vaas op de tafel, om het bekende beeld van Hans Faverey aan te halen, de chrysanten in de vaas op de tafel.

Bijna onbeschaamd in hun programmatische eenvoud zijn twee publicaties uit het begin van de jaren '70, het eigenhandig geïllustreerde Vliegen en de als bewerking van het Hooglied geschreven 27 liefdesliedjes. Wat Chr. J. van Geel in een eerder stadium had gedaan met de eend, deed Herzberg met de vlieg - 'Iedere vlieg lijkt wel iets/ op een andere maar is toch weer/ iets nieuws'. En wat die liefdesgedichten betreft, je moet er geloof ik voor in de stemming zijn.

Markanter, geheimzinniger en meer oorspronkelijk zijn Strijklicht (1971), Botshol (1980) en Dagrest (1984). Maar zo vaardig en ferm als die titels, zo luchtig is het commentaar dat Herzberg - in een zeldzaam geval - zelf op haar werk heeft geleverd. In een vraaggesprek met Ischa Meijer, november 1984, voor Vrij Nederland:

'Praten is er gewoon, het kost niks, het blijft ook niet bewaard. (. . .) En niemand die het door heeft - gelukkig maar; want als dat nou ook nog eens tot kunst verheven werd, was de lol er gauw af. Misschien is het gedicht wel de vorm waarin iets van dat alles toch bewaard kan blijven en niet wegsiepelt.'

Kom op, dat is al te bescheiden. Lees het gedicht 'Losse stukken', uit Dagrest:

Na die grootste weloverwogen explo sie

zocht de uitgekookte puzzelaar de losse

stukken bij elkaar jij hier ik daar

bot weer bij weggeslingerd bot voel maar.

Eerst nog even die titel, Dagrest. Freud onder anderen gebruikt die term, 'Tagesrest', in Die Traumdeutung, ter aanduiding van het geheel aan ingrediënten - gedachten, gevoelens, ervaringen - dat tijdens de dag voorafgaand aan een bepaalde droom is gepasseerd, de dingen die eventueel de inhoud van die droom beïnvloeden. Het is geen titel die iemand zomaar aan een collectie gedichten geeft, ook al ziet hij af van verdere explicatie.

Niets valt uit te sluiten. De bronnen die Herzberg annexeert zijn onzichtbaar. Het is zeer wel mogelijk dat het gedicht teruggaat op een gebeurtenis in de werkelijkheid - een variant op de inktpot van Tsjechov.

Het is eveneens denkbaar dat de beelden teruggaan op een fantasma, of op een verzameling ('weloverwogen') elementen, die ('uitgekookt') in één beeld bijeen zijn gezocht. Maar wat onder alle voorstelbare interpretaties ontbreekt, is wat Herzberg aan het begin van haar dichterschap 'de hele organisatie' heeft genoemd. Er is een lugubere instantie, een uitgekookte puzzelaar, nodig om de stukken bij elkaar te zoeken. Ik weet het niet. Misschien is het dezelfde als de 'panische haat', de 'krengige weemoed'. Die niet nader geïdentificeerde module die het terrein met de weggeslingerde botstukken overziet.

De dichter Benno Barnard heeft een keer geschreven dat Herzbergs poëzie bij eerste lezing glashelder is, en al bij de tweede observatie zo troebel als matglas. De geldigheid van die bewering wordt nog eens onderschreven door het feit dat je met geen mogelijkheid de intonatie van die laatste twee regels van Dagrest kunt ontdekken, terwijl je hoort dat het grootse poëzie is.

Meer over