Joodse veelwijverij in 999

HET WIL maar niet vlotten met Abraham Yehoshua in Nederland. Hoewel zijn uitgever hem 'de belangrijkste auteur van Israël' vindt, worden zijn boeken hier niet erg gewaardeerd....

Vreemd, want het verhaal is opzienbarend genoeg.

Het gaat over Ben-Atar, een joodse koopman uit Tanger, die er er, als welvarend man, twee echtgenotes op nahoudt - een dubbelhuwelijk dat alle betrokkenen bevalt. Maar niet Ben-Atars neef, zijn zakenpartner in Parijs, of liever gezegd diens echtgenote: zij is een godvruchtige jodin die deze veelwijverij afkeurt en haar man heeft gedwongen de handel met zijn oom te staken.

Ben-Atar, financieel gedupeerd maar vooral moreel verontwaardigd, laat het er niet bij zitten en reist per schip, met zijn vrouwen, naar Parijs om de godvrezende dame op andere gedachten te brengen. Het is weliswaar 999 en de christenen in Europa zijn in afwachting van hun verlosser, maar voor de joden is het een jaar als alle andere.

Eenmaal aangekomen in Parijs neemt de koopman zijn intrek in het huis van zijn neef en diens strenge vrouw, Ester-Mina. Hij rent daar van de ene slaapkamer naar de andere om zijn vrouwen luidruchtig te beminnen, waarmee hij zijn gastvrouw wil laten zien dat hij heel goed twee vrouwen tegelijk kan liefhebben zonder dat er iemand tekort komt.

Dat is uiteraard niet de handigste manier om haar te overtuigen. Ester-Mina spant een rechtszaak aan, eerst een in Parijs en daarna, omdat zij geen genoegen neemt met het milde oordeel van de losbandige Parijse joden, nog een in Worms. Ondanks het pleidooi van de gewiekste Andalusische rabbijn die met Ben-Atar is meegereisd, wordt de koopman wegens veelwijverij in de ban gedaan, maar wanneer Ben Atars tweede vrouw op de terugweg naar Parijs overlijdt, wordt de ban meteen weer opgeheven en worden de handelsbetrekkingen opnieuw aangeknoopt. Ben-Atar gaat, in diepe rouw maar met een boot vol blonde slaven, op weg naar huis.

Het is allemaal nogal onwaarschijnlijk. Zou een vrouw in het jaar 999 zoveel invloed op haar man hebben gehad dat hij de lucratieve handel met zijn oom eraan gaf? En zou een groep joodse en islamitische Noord-Afrikanen vrijwel onopgemerkt door Frankisch gebied hebben kunnen trekken? Het is op z'n minst verbazingwekkend dat de reizigers bij Verdun kunnen kamperen zonder dat er tenminste wat burgers uitlopen om ze aan te staren. Er is nergens sprake van verwondering of zelfs maar nieuwsgierigheid bij de brave christenen, laat staan van enigerlei vorm van antisemitisme. Nog onwaarschijnlijker is het dat de Noord-Afrikaanse koopman Ben-Atar zich er iets van aantrekt dat een Noord-Europese vrouw zijn levenswijze afkeurt.

Hoewel het verhaal getuigt van fantasie, en spannend genoeg is, staan zulke ongeloofwaardigheden het inlevingsvermogen van de lezer danig in de weg. Daar komt bij dat Yehoshua er niet erg in slaagt om de wereld die hij ons voortovert, tot leven te brengen. De lezer ervaart nauwelijks dat dit verhaal zich duizend jaar geleden afspeelt.

Een zeer zwakke kant van de roman is de vreemde wijze waarop het verhaal wordt verteld. Dat gebeurt door een zogenoemde alwetende verteller, maar dan wel een die voortdurend in onwetendheid verkeert. Yehoshua - hoogleraar literatuurwetenschap - zal daar allerlei geraffineerde bedoelingen mee hebben gehad, maar voor de lezer is het vooral irritant dat de verteller steeds vragen stelt in de trant van: 'Dacht de joodse koopman echt dat het inhuren van een rabbijn niet alleen recht gaf op zijn wijsheid en zijn kennis, maar ook op zijn ziel en zijn gevoelens?'

Een ander bezwaar tegen Reis naar het millennium is het niet bijster originele taalgebruik. Mensen hebben 'altijd waakzame oren' en 'scherpe ogen', het schip maakt 'een dappere vaart', dingen 'snijden door de ziel', en als Ben-Atar zijn kunsten in bed bewijst, haalt hij 'zijn stijve mannelijkheid' tevoorschijn bij een van zijn altijd gewillige vrouwen, vol bewondering voor 'haar naakte lichaam met al zijn mysteries'.

Ook de beeldspraak levert problemen op. Dat de 'bezorgdheid als een extra zeil boven het dek wapperde' is nog net te volgen, maar wat te denken van een regenbui die 'een brij maakt van kleren en lichaam'? Of van Ben-Atar die wakker wordt 'na een slapeloze nacht bij het kampvuur, dat zijn liefde met grote verontrusting had beroet'?

Zo uitbundig als de beeldspraak is, zo plat en levenloos zijn de personages. In de proloog vraagt Yehoshua zich af of het hem zal lukken de figuren tot leven te brengen: 'Kun je je fantasie verwarmen met de gevoelens van degenen die met weinig kleur zo'n vastgevroren, schematisch mensbeeld neerzetten op hun schilderijen, en die nog vijfhonderd lange jaren van oorlogen en plagen te gaan hebben voordat het licht van de Renaissance doorbreekt?'

Hoewel Yehoshua zegt dat hij 'warme gevoelens' voor zijn personages heeft opgevat, geeft hij zelf precies zo'n vastgevroren en schematisch beeld van ze. Verreweg de meest opmerkelijke figuur is een naamloze jonge slaaf in het reisgezelschap. Hem worden eigenschappen toegeschreven die niet zouden misstaan in een negentiende-eeuwse koloniale roman. De zwarte slaaf is 'een klein, snel roofdier dat in gevangenschap meteen is overmand door angst'. Het hele boek door wordt hij zo dierlijk afgebeeld. Als hij door drie Parijse vrouwen wordt genomen, lijken zijn genotzuchtige kreunen 'op de kreunen van een wilde kameel'.

Dat zou allemaal nog tot daaraan toe zijn, als Reis naar het einde van het millennium zomaar een verhaal was, om te amuseren. Maar dat is het niet. Yehoshua heeft de roman heel bewust tot voertuig gemaakt van zijn ideeën over verzoening en integratie en dat werkt niet, als het, zoals in dit geval, ten koste gaat van de geloofwaardigheid, de levendigheid, de psychologische en historische diepgang van het verhaal. Dan haakt de lezer af en heeft hij geen boodschap meer aan de goede bedoelingen van de schrijver.

Yra van Dijk

A.B. Yehoshua: Reis naar het einde van het millenium.

Vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt.

Wereldbibliotheek; 365 pagina's; fl. 49,50.

ISBN 90 284 1842 3.

Meer over