John

'Als mij ergens wordt gevraagd naar mijn pasfoto, heb ik altijd de neiging om deze foto te pakken. Ik heb ze altijd wel ergens bij mij, in mijn portefeuille, portemonnee, of los in mijn colbert....

'Ik denk dat ik geen narcistisch type ben, maar toch kan ik uren naar deze foto kijken, me verbazen over de situatie waarin ik toen zat, en bedenkende in welk leven ik de kop boven water houd. Als ik goed kijk naar mijn oogjes op de foto en naar mijn ogen in de spiegel, zie ik niets anders dan grote verbazing over datgene wat zich toen afspeelde in de Tweede Wereldoorlog en vervolgens, naar de dag van vandaag, in de spiegel, zich nu afspeelt.

'Heb ik die theekorf op mijn kopje gezet vanwege het geluid in de lucht, of hebben mijn ouders deze extravagante hoofdtooi aangemeten vanwege mijn exotische verschijning? Ik zie er ook uit als een kind vanuit alle windstreken. Dat heeft mij dan ook in mijn leven en overal op de wereld een prettige tijd bezorgd. Deze foto van mij stamt uit het jaar 1942, op de cour achter het huis. Alles van mezelf is in deze ogenschijnlijk toevallige foto verbeeld.' John H. Rondson, Maastricht.

Ik dacht dat het een meisje was. We zien toch lange krullen, een kleedje, blote armpjes en een meisjesachtige manier om het hoedje vast te houden. Ik dacht ook aan extreme armoede. Zo arm, dat de fotograaf het kind van enige afstand fotografeerde, zonder zich te bukken en scheef, haastig waarschijnlijk. Armoede schept afstand. Velen vinden het gênant om dichterbij te komen en lang te kijken.

Het kind is klein, hij lijkt nog geen zes platte stenen hoog en beslaat nauwelijks een twintigste van de oppervlakte van de foto, het ziet er uit als een hoopje miserie. Deze foto is letterlijk uitzichtloos. Het heeft ook te maken met de stenen omgeving. De grote bakstenen en de ruwe bezetting benadrukken de kwetsbaarheid. De donkere huid, brede krullen en zwarte ogen associëren we graag met ver-van-hier. Dat werkt enigszins geruststellend op de kijker. Maar het kindje heet John en dat is een felle naam. En John schrijft nu een zwierige brief met zelfzekere beginletters gewoon in het Nederlands. Hij is groot geworden, misschien al 59 of zoiets. En de fotograaf was niet bang of afstandelijk. Het was waarschijnlijk gewoon een familielid.

De foto is klein en in zwart-wit. We hebben geen reuzenposter nodig om te zien wat erop staat. Kleine foto's vragen een soort 'dichtbij aandacht'. Het vraagt moeite om de kleine oogjes te vinden en de neerhangende lippen. Als John deze foto toch vergroot is het niet om meer te zien, maar als eerbetoon. Deze foto is voor hem een monument. De troosteloosheid, het exotische voorkomen en de oorlogsomstandigheden, zijn ver weg. Deze dingen hebben geen kwalijke gevolgen meer. De momentopname krijgt iets heroïsch.

De camera geeft donkerte rondom. Naar de bovenste hoeken toe wordt het beeld bijna zwart (links dringen er ook twee takjes met knoppen in het beeld, er is toch een beetje lente). Het is alsof er een schijnwerper op het kind is gericht. Het effect is theatraal. De troosteloosheid is bijna echt. Elke foto is een kleine leugen, en naarmate de tijd verstrijkt wordt deze mooier en mooier.

Meer over