PostuumJohn Prine (1946-2020)

John Prine (1946-2020) is nooit bekend geworden – behalve bij de meeste country- en folkgrootheden

Dinsdag is liedjesschrijver en zanger John Prine na een ziekbed van twee weken overleden aan covid-19. Hij kreeg weliswaar nooit de bekendheid die hem toekwam, maar werd door zijn collega’s, van Bob Dylan en Johnny Cash tot Emmylou Harris en Lucinda Williams, gerekend tot de allergrootsten in hun vakgebied.

John Prine in 1975. Beeld WireImage
John Prine in 1975.Beeld WireImage

De op 73-jarige leeftijd overleden Prine kon als geen ander in eenvoudige bewoordingen en melodieën klein en groot menselijk leed verwoorden. Al in zijn vroegste werk, toen hij nog als postbode werkte in Maywood, Illinois, verplaatste hij zich moeiteloos in vereenzaamde ouderen of verslaafde Vietnamveteranen.

De verbijstering over de souplesse en klasse waarmee Prine met diepe ontroerende stem zijn liedjes zong, was bij Kris Kristofferson in 1971 zo groot dat hij zijn ontdekking op het podium uitnodigde. Het leverde Prine een platencontract bij Atlantic op, waarop dat jaar zijn debuutalbum verscheen.

Dat album, met de simpele titel John Prine, bevat klassiek geworden liedjes die Prine tot aan zijn dood is blijven spelen. Sam Stone, met de beroemde regels: ‘There’s a hole in daddy’s arm where all the money goes/ Jesus Christ died for nothing I suppose’, hakte er bij Prines laatste optreden in Nederland, in 2018 in de Amsterdamse Paradiso, nog ongenadig in.

Even aangrijpend is Hello in There over een vereenzaamd ouder echtpaar: ‘And all the news just repeats itself/ Like some forgotten dream that we’ve both seen.’ Of het door Bonnie Raitt eigen gemaakte Angel from Montgomery met de rake openingszin: ‘I’m an old woman named after my mother.’

Tot op de dag van vandaag zijn het vooral Prines collega’s en americanafijnproevers geweest, die met zijn werk wegliepen, grote successen heeft Prine nooit gehad. Een van zijn bekendste liedjes werd het geestige, met Iris DeMent gezongen liedje vol liefdevol echtelijk gevit In Spite of Ourselves uit 1999. Het verscheen op zijn eigen platenlabel Oh Boy dat hij, gedesillusioneerd door de platenindustrie, in 1996 had opgericht.

Prine tobde toen al met zijn gezondheid. Hij kreeg in 1998 en 2013 kanker. Zelfs met een door operaties naar links hellend hoofd en een zwaardere stem bleef hij optreden en platen maken. Zijn laatste, The Tree of Forgiveness (2018) was met Summer’s End een van zijn mooiste.

In een volgepakt Paradiso zag het publiek, waaronder generaties jongere artiesten als Tim Knol en Lucky Fonz III, hoe Prine zich af en toe omdraaide naar het tafeltje achter hem, waarop zorgvuldig gerangschikt wat oude gezinsfoto’s lagen. Prine keek, lachte minzaam en begon met tedere snaaraanrakingen een nieuw troostrijk liedje.

Voordat hij werd gegrepen door covid-19, waarvan zijn (derde) echtgenote wel is genezen, was zijn gezondheid al slecht. Een Europese tournee moest vorig jaar tot twee keer toe worden afgezegd. ‘When I get to heaven’, zo besluit hij zijn laatste plaat, ‘I’m gonna shake God’s hand and thank him for more blessings than one man can stand.’

Meer over