BoekrecensieDondersteen

Johan de Boose schrijft krachtig als de donder uit de titel van zijn nieuwe roman ★★★★☆

De Vlaamse schrijver Johan de Boose probeert zijn vader te doorgronden in een roman vol zinnen als aanzwellend onweer. In Dondersteen is niets alleen maar wat het lijkt, overal zit méér achter.

Beeld Brian Elstak

Raap een steen op uit uw tuin of het park, en voilà, u houdt de geschiedenis van de wereld in uw hand. Niet te verwarren met die van de méns, met al z’n oorlogjes en epidemietjes, nee, in uw hand ligt de samengebalde saga van de planeet Aarde. Waarom zou je je druk maken om het nietige hier en nu, als je de geschiedenis van miljarden jaren kunt oppakken? Zoiets moet de vader van de Vlaamse schrijver Johan de Boose gedacht hebben. Als Rob de Boose niet boven zijn stenencollectie hing, was hij bezig in zijn tuin, zijn zelfgeschapen universum vol uitgekiende flora, of bestudeerde hij de sterren. Maar het liefst reisde hij de wereld over. In gedachten, met de National Geographic in zijn hand. Zijn studeerkamer kwam hij zelden uit.

Zoon Johan heeft zich juist ontpopt als beroepsreiziger; we kennen De Boose (1962) van zijn reisverhalen uit landen als Kroatië, Rusland en Polen – en natuurlijk van Het vloekhout, waarin een stuk hout door de wereld én de geschiedenis reist. Vorig jaar nog stond de roman op de shortlist van de Libris Literatuurprijs. In de nieuwe, autobiografische roman Dondersteen reist De Boose zijn vader na, ‘naar waar hij nooit een voet had gezet’: door het hete zuiden van de Verenigde Staten naar Moab in Utah, een oeroude plek in de woestijn en een walhalla voor wie de wereld wil doorgronden.

Maar eerst moet De Boose langs het mistroostige dorp Gardner, waar zijn goede vriend (‘bro’) Gary begraven ligt. Gary was warmbloedig en mateloos, ‘een oermens’, ‘smoorverliefd op het leven’, met ‘aanvallen van wilde danslust’. Hoewel De Boose talloze innige woorden gebruikt om zijn vriend mee te beschrijven, wil er maar geen levendig beeld van deze man ontstaan. Hoe en waarom zijn ze vrienden geworden? Wat trok hen in elkaar aan? Wat was er zo ontzettend uniek aan de vriendschap? Voor de lezer blijft het een soort nastaren: daar gaat de schrijver, op weg naar een vriend die wij niet kennen, om redenen die wij niet begrijpen. Het gebrek aan voelbare noodzaak om Gary’s graf te bezoeken geeft ruimte aan het ongemakkelijke vermoeden dat de schrijver heeft gedacht: als ik tóch naar Moab reis kan ik nét zo goed even langs, en dat dan óók opschrijven… Een onnodige afslag.

Blanco canvas

Terug naar de kaarsrechte weg waarover De Boose de woestijn doorkruist, ‘cruisecontrol en oeverloze gedachten’, aan vroeger, aan vader en de toverwereld die hij opriep met zijn wonderkabinet vol schatten uit de bodem. De lege vlakte waar De Boose doorheen rijdt, vormt een blanco canvas waarop een kleurrijke jeugd wordt geprojecteerd. Struinen door het universum tuin, een toneeluitvoering met vriendjes uit de straat, de houtgeur van een zomeravond. Als fata morgana’s doemen onwerkelijke scènes op: vader die in zijn blauwe pyjama over een koord tussen twee sterren loopt, die door een poster in zijn studeerkamer de Matterhorn opstapt, die driedimensionaal kan tekenen – magisch realisme à la Bruno Schulz, de Poolse schrijver door wie De Boose zich bij vlagen laat inspireren.

Al schrijvende doorgrondt De Boose zijn vader. ‘Ik doe wat alleen postuum mogelijk is, en ik gebruik daarvoor het enig denkbare gereedschap, de verbeelding. Ik schrijf alles wat onherroepelijk en tragisch uit elkaar gevallen is weer bij elkaar, tegen beter weten in, tegen de tijd en tegen de dood.’ Het doet denken aan wat P.F. Thomése vorig jaar deed in de eveneens autobiografische roman Vaderliefde: verzamelen wat je hebt aan herinneringen, anekdotes en beelden en de hiaten aanvullen met fantasie, waardoor een verhaal ontstaat dat het mogelijk maakt de dode vader beter te leren kennen dan bij leven mogelijk was.

‘Het was laat in het weemoedige seizoen, toen de natuur zich opmaakte om te sterven.’ ‘Alles is de uitkomst van een confrontatie of een versmelting.’ ‘Over honderdtwintig jaar zou niemand die nu leefde nog op aarde rondlopen. De oermaterie zou neerdalen over ons allen. Alles zou veranderen in vormeloze dingen.’ Het wemelt van dit soort verzadigde zinnen in Dondersteen. De Boose schrijft in een stijl die weinig ruimte laat voor verstrooiing, die pregnant is en krachtig als de donder. Ja, die dondersteen dus. Dat is – behalve een ondeugend kind – een grillig gevormd stolsel van zandkorrels die door de hitte van ingeslagen bliksem zijn gesmolten. Tijdens zijn reis draagt De Boose een dondersteen uit de collectie van zijn vader bij zich. Versteende bliksem in een glazen buisje: het is een metafoor voor dit boek, vol zinnen als langzaam aanzwellend onweer. Niets is bij De Boose alleen maar wat het lijkt, overal zit méér achter: een bepaalde geladenheid, een spanning waaruit elk moment de bliksem kan schieten. ‘Zeg nooit zomaar steen tegen een steen’, prentte vader zijn zoon in. Het is misschien wel de belangrijkste les die de schrijver ooit geleerd heeft.

Beeld De Bezige Bij

Johan de Boose: DondersteenDe Bezige Bij; 273 pagina’s; € 22,99.

Meer over